| Stel dat u een investering overweegt waarbij u bij het begin van het eerste jaar 9230000 BEF stort. Op het einde van het eerste jaar geniet u 964447 BEF inkomsten; op het einde van het tweede jaar 2209295 BEF, op het einde van het derde jaar 2209295 BEF, op het einde van het vierde jaar 2209295 BEF, op het einde van het vijfde jaar 2199098 BEF. | |||
| 1) Bereken de contante waarde van de inkomsten. Discontovoet: 10%. Vul de tabel in. | |||
| Discontofactor = 1/(1+i)n | (i = rentevoet ; n = aantal jaren) | ||
| i = | |||
| inkomsten | discontfactor | verdisconteerde waarde | |
| CW1 = | |||
| CW2 = | |||
| CW3 = | |||
| CW4 = | |||
| CW5 = | |||
| TOTAAL | |||
| 2) Bereken het verschil tussen de investering en het totaal van de verdisconteerde waarden. | |||
| Investering = | |||
| totaal contante waarden = | |||
| verschil = | |||
| Is de investering interessant? | |||
| 3) Los deze oefening op door gebruik te maken van de financiële functie NHW. | |||