2. Een werkblad: elementaire bewerkingen
2.1 Opslaan, openen, en zoeken
In dit hoofdstuk worden de elementaire bestandsbewerkingen in Excel 97 besproken. Zoals in de andere Office-programma’s kan elke bewerking op meerdere manieren uitgevoerd worden. We hebben er voor geopteerd om enkel de meest courante te bespreken.
Wat terminologie betreft, gebruiken we om een Excel bestand te benoemen de term werkmap. Dit kunnen we het best vergelijken met een (ring)map met daarin een of meerdere pagina’s. Deze pagina’s duiden we dan aan als werkbladen (of tabbladen).
2.1.1 Een nieuwe werkmap aanmaken


2.1.3 Een werkmap opslaan

Onder het menu bestand vinden we verschillende commando’s om een werkmap op te slaan:
Met bestand opslaan en bestand opslaan als, ... worden alle werkbladen tegelijkertijd samengebundeld en bewaard in een werkmap.
a) Een werkmap voor de eerste keer opslaan

b) Een bestaande werkmap opslaan
Als je wijzigingen hebt aangebracht aan een bestaande werkmap, dan kan je die bewaren onder dezelfde naam en dezelfde plaats als volgt:
c) Opslaan als HTML
Onder het menu bewerken kan je ook opteren voor opslaan als HTML. Er wordt dan een wizard opgestart die je stapsgewijze helpt bij het publiceren van Excel gegevens op een webpagina. De wizard converteert de gegevens:

2.1.3 Een werkmap sluiten
Om een werkmap te sluiten, maar niet het programma Excel, doe je het volgende:

2.1.4 Een werkmap openen
Werkmappen die je reeds op een schijf hebt bewaard, kan je opnieuw openen met:
TIP: De laatst gebruikte werkmappen kunnen ook snel opgevraagd worden door helemaal onderaan in het menu Bestand te klikken op de naam.
2.2 Verplaatsen, kopiëren, plakken en wissen
Deze bewerkingen hebben betrekking op de inhoud van een werkblad. De werkwijze is dezelfde voor een groep cellen als voor een individuele cel.
2.2.1 Verplaatsen
Dit kan met de muis of met de opdracht knippen en plakken.

randen van het geselekteerde blok
(zodat deze in een pijl verandert).

8 Deze opdrachten kunnen eveneens uitgevoerd worden met de knoppen
![]()
![]()
2.2.2 Kopiëren
8 Deze opdrachten kunnen eveneens uitgevoerd worden met de knoppen
![]()
![]()

Als je de muisaanwijzer op het kleine zwarte
vierkantje in de rechterbenedenhoek (vulgreep)
van een cel of cellenbereik plaatst, verandert
deze in een klein zwart kruisje.
Hiermee kan je de inhoud van de cel slepen naar
aaneengrenzende cellen.
Naast het simpelweg kopiëren kan je met de vulgreep ook verschillende typen reeksen automatisch doorvoeren door cellen te selecteren en de vulgreep te slepen, en dit voortbouowend op bestaande cellen (zie § 3.2).
2.2.3 Wissen of verwijderen
Een cel of een reeks cellen kan je verwijderen als volgt:

Vervolgens markeer je het gewenste keuzerondje en bevestig je met OK.
opmerking:
In Microsoft Excel worden formules automatisch bijgewerkt. Verwijzingen naar verplaatste cellen worden automatisch aangepast aan de nieuwe locaties. Indien een formule echter verwijst naar een cel die is verwijderd, wordt de foutwaarde #VERW! weergegeven.

Opmerkingen
2.2.4 Invoegen
Een cel of een reeks cellen kan je invoegen als volgt:

|
keuzerondje |
toelichting |
|
cellen naar rechts verplaatsen |
Voegt een lege reeks in ter grootte van de geselecteerde reeks en verschuift alle eronder liggende cellen naar rechts om de benodigde ruimte te creëren. |
|
cellen naar beneden verplaatsen |
Voegt een lege reeks in ter grootte van de geselecteerde reeks en verschuift alle eronder liggende cellen naar beneden om de benodigde ruimte te creëren. |
|
hele rij |
Voegt een aantal lege rijen in overeenkomstig het aantal uit de geselecteerde reeks en verschuift alle eronder liggende rijen naar beneden om de benodigde ruimte te creëren. |
|
hele kolom |
Voegt een aantal lege kolommen in. overeenkomstig het aantal uit de geselecteerde reeks en verschuift alle eronder liggende kolommen naar rechts om de benodigde ruimte te creeren. |
2.3 Rijen en kolommen invoegen en verwijderen
2.3.1 Rijen en kolommen verwijderen
Als je een of meer rijen of kolommen wilt verwijderen, ga je als volgt te werk:
Dit verwijderen kan verschillende gevolgen hebben:
2.3.2 Rijen en kolommen invoegen
Als je een of meer rijen of kolommen wiltinvoegen, ga je als volgt te werk:
Het invoegen kan verschillende gevolgen hebben:
2.4 Afdrukken
Het afdrukken van een werkblad wordt grotendeels bepaald door Windows, omdat daar de printer wordt geïnstalleerd. Hieronder bespreken we hoe je de specifieke afdrukinstellingen van Excel m.b.v. verschillende dialoogvensters bepaalt.
2.4.1 Afdrukinstellingen
Alle afdrukinstellingen vindt je onder het menu Bestand, Afdrukken.

2.4.2 Pagina-instelling
Meer afdrukinstellingen kan je instellen in het volgende dialoogvenster Pagina-instelling, dat je opent met het menu Bestand. In dit dialoogvenster vind je een aantal knoppen waarmee andere dialoogvensters kunnen geopend worden. Het vereist wel enige oefening om inzicht te krijgen in de geneste struktuur van de verschillende dialoogvensters.
Hierin bepaal je de instellingen voor de hele pagina.

In het tabblad Marges stel je de marges van de pagina en de positie van de kop- en voetteksten in.

De marges wijzig je door de gewenste waarden in de tekstvakken te tikken of door de knoppen met de pijlpunten rechts van de tekstvakken aan te klikken tot de gewenste grootte. Vaak is het eenvoudiger om de marges met de muis te wijzigen door te klikken op de knop Afdrukvoorbeeld.
Kop-en voetteksten zijn handig als je het werkblad extra informatie wilt meegeven. Vaak worden bovenaan de afgedrukte pagina een koptekst met een titel (doorgaans de naam van het werkblad) en een datum geplaatst. Voetteksten bevatten gewoonlijk het paginanummer en soms de naam van het afgedrukte bestand.

Excel bevat een aantal standaard kop- en voetteksten. Deze selecteer je met respectievelijk de vervolgkeuzelijsten Koptekst en Voettekst. Je kan daarentegen ook zelf een kop- of voettekst definiëren. Daarvoor klik je op de knop Aangepaste koptekst of -voettekst.
Elke kop- en voettekst kan uit drie delen bestaan: één links uitgelijnd, één gecentreerd en één rechts uitgelijnd. Elk deel heeft een eigen tekstvak.
Daarin kan je met een aantal voorgedefineerde codes werken, maar je kan ook kiezen uit de volgende knoppen:
![]()
|
knop |
code |
resultaat |
|
1 |
geen |
de opmaak van de tekst aanpassen |
|
2 |
&[pagina] |
voegt een paginanummer in op de plaats waar de cursor staat. |
|
3 |
&[pagina’s] |
voegt het totaal aantal pagina’s in |
|
4 |
&[datum] |
voegt de systeemdatum in |
|
5 |
&[tijd] |
voegt de systeemtijd in |
|
6 |
&[bestand] |
voegt de bestandsnaam in van de actieve werkmap |
|
7 |
&[werkblad] |
voegt de naam in van het actieve werkblad (tabblad) |
Het tabblad Blad laat o.a. toe om te bepalen of je de celrasterlijnen, de rij- en kolomkoppen en notities afdrukt.
