8.3 Objecten, methoden en eigenschappen
8.3.1. Inleidende oefening
Informatie over objecten, hun methoden en eigenschappen kan je op diverse manieren bekomen. Wij gaan om te beginnen als volgt tewerk:
| Open een lege werkmap in Excel. Plaats in de cel A1 van Blad1 de datum. Activeer de Visual Basic-editor. |
|
| In het
'venster Direct' kan je opdrachten uitvoeren zonder ze in
een macro op te nemen. Kies Beeld, Venster Direct
of druk CTRL+G en typ de vetgedrukte regels uit de tekst
hiernaast gvolgd door ENTER. De niet vetgedrukte tekst is
het resultaat van de opdracht. Het vraagteken aan het begin van de vetgedrukte regels staat voor 'Druk af in het 'Venster Direct '. |
a) ?Application.Name Microsoft Excel b) ?Application.Workbooks(1).Name Map1 c) ?Application.Workbooks(1).Worksheets(1).Name Blad1 d) ?Application.Workbooks(1).Worksheets(1).Range("A1").Value 98-11-04 e) ?Application.Activewindow.Caption Map1 f) Workbooks(1).Worksheets(1).Name="Overzicht" g) ?Worksheets(1).Name Overzicht h) Range("A1").Clear i) Range("A1").Value=#98-06-29# |
Verklaring:
|
8.3.2 Help via F1
Plaats de cursor in het venster 'Direct' op het woord 'Range' en druk F1. Het resultaat is:

Klik op 'Range'.

Je ziet bij elke eigenschap en methode welke objecten deze eigenschap of methode bezitten via 'Van toepassing op'.
Klik nu op 'Range-object'.

Hier zie je duidelijk dat een object van het type 'Range' -zoals elk object trouwens- methoden en eigenschappen heeft. Klik op Eigenschappen, daarna op Methoden:
![]() |
![]() |
| Een object van het type 'Range' heeft tientallen eigenschappen. Je vindt ze hier alfabetisch. | Een object van het type 'Range' kent tientallen methoden. Je vindt ze hier alfabetisch. |
8.3.3 Indeling van methoden en eigenschappen
Er zijn twee soorten methoden en eigenschappen:
|
Syntax |
Voorbeelden |
|
| A | Eigenschappen die naar
objecten verwijzen: |
Worksheets(1).Range("B1:D5")Range("B1:D5").Font ActiveCell |
| B | Methoden die naar objecten
verwijzen: |
Range("a1").Find(2) |
| C | Eigenschappen -
actiewoorden |
Worksheets(1).Range("B1:D5").Value
[=True] Range("a1").Font.ColorIndex [=3] ActiveCell.Borders.Linestyle [= xlDouble] |
| D | Methoden - actiewoorden |
Worksheets(1).DeleteActiveSheet.Printpreview range("a1:a3").Copy destination:=Range("E5") |
Opmerkingen:
|
Oefeningen:
Bij welke groep (A-D) uit bovenstaande tabel horen volgende termen? Zoek dit op door het woord in het 'venster Direct' te typen en F1 te drukken. Bij sommige woorden krijg je een venster als dit:
![]() |
| Kies hier Excel. Je vraagt namelijk uitleg over een onderdeel van de Excel-objectbibliotheek. Later leren we VBA-termen en formulieren kennen. |
| Application | Protect | Creator | Borders |
| Name | LineStyle | Visible | ColorIndex |
| Workbooks | AutoFit | PrintPreview | Font |
| Sheets | Clear | Value | Numberformat |
8.3.4 Auto List Members
Welke methoden en eigenschappen bij een object horen zie je o.a. tijdens het typen van opdrachten in het modulevenster of in het 'Venster Direct' dankzij de 'Auto List Members'-faciliteit.
| Activeer het venster Direct. Typ 'Application' gevolgd door een punt. Op dat ogenblik vershijnt een 'Auto List'. Dit is een lijst met alle eigenschappen en methoden ('leden') die bij het aangeduide object horen. Je hebt hier dus een andere manier om informatie over objecten te raadplegen. De eigenschappen en de methoden worden met een verschillend pictogram voorgesteld. | ![]() |
| Selecteer nu de
eigenschap 'Visible' en dubbelklik erop of druk Tab. Druk
ENTER. De eigenschap Application verwijst naar het Application-object. |
|
8.3.5 Objectenoverzicht (object browser)
Een zo mogelijk nog krachtiger instrument om informatie over objecten te vinden is het objectenoverzicht dat geactiveerd wordt via de onderstaande knop in de VBA-omgeving:
![]()
|
![]() |
8.3.6 Symbolische constanten
| Plaats een dubbele rand
rond A1 van Blad1. Typ in het 'venster Direct' de
vetgedrukte tekst hieronder: ?range("a1").Borders.LineStyle -4119 range("a1").Borders.LineStyle=xlSingle ?range("a1").Borders.LineStyle -4115 |
De waarde van
sommige eigenschappen van Excel-objecten (kleuren,
randen,...) wordt door een getal voorgesteld. Het is
moeilijk om veel van dergelijke waarden te onthouden.
Daarom kan je deze waarden vervangen door zgn. symbolische
constanten. Dit zijn woorden die Visual Basic
herkent en vervangt door het gepaste getal. Zo'n
symbolische constante begint met 'xl' (Excel) om het
verschil aan te duiden met constanten die je zelf
definieert (zie verder). xlDouble is dus synoniem van
-4119, xlSingle van -4115. Je vindt een lijst van de symbolische constanten in het helpscherm van de betreffende eigenschap. Constanten die in Visual Basic gedefinieerd zijn beginnen met 'vb'. |
Oefeningen:
Neem een macro op waarin je voor een cel volgende eigenschappen instelt: datumopmaak in Bin-formaat, centreren, vet, tekstkleur rood, puntgrootte 12, dubbele blauwe rand en gele achtergrond.
Welke waarden kan de eigenschap 'LineStyle' hebben?
Welke objecten hebben de eigenschap 'LineStyle'?