OOP of Object Oriented Programming
Een OOP-taal werkt met objecten, klassen en instantie.
De objecten vormen de bouwstenen van de taal, net zoals de letters in een gesproken taal.
Sommige objecten hebben gelijkaardige eigenschappen waardoor ze kunnen samengenomen worden. Men spreekt dan van klassen. Zo kunnen we in het alfabet de klinkers- en de medeklinkers-klasse onderscheiden.
Door een lagere klasse nieuwe eigenschappen te geven onstaan nieuwe klassen met nieuwe objecten, net zoals men uit letters woorden of zinnen kan maken.
Uit de klasse woorden kunnen we een speciaal object nemen bijvoorbeeld woorden eindigend op ing. In dat geval is het woord betaling een instantie van klasse woorden van het object woord eindigend op ing.
java.lang
De taal van java, het belangrijkste onderdeel en daarm ook door de compiler bij elke brontekst automatisch geïmporteerd. In dit pakket komen o.a. klassen voor die zorgen voor de elementaire gegevenstypen als integer, boolean, strings en de omzetten tussen deze typen. Ook trigonometrische functies en randomfunctie komen erin voor.
java.io
Om een javaprogramma te laten communiceren met de buitenwereld. Gegevensoverdracht gebeurt met objecten uit de java.io-klasse.
java.util
Bevat nuttig gereedschap voor comfortabel programmeren.
java.net
Hierin worden een groot aantal klassen voor communicatie over en met het netwerk gedefinieerd.