Uitbreiding bij toewijzingsoperatoren

Bewerkingen die veel voorkomen zijn bijvoorbeeld a = a + 1 of a = a – 1. Hiervoor zijn dan ook aparte operatoren beschikbaar, die het typewerk en de kans op typefouten bij langere variabelenamen verkleinen. Zo kan het statement a = a + 1 korter geschreven worden als a += 1. De operator is in dit geval dus +=. Onderstaande tabel geeft een overzicht van vergelijkbare operatoren. In de voorbeelden gaan we ervan uit dat a de waarde 10 heeft.

operator omschrijving
+= Tel het getal rechts van de operator op bij de variabele links en overschrijf de oude waarde met de nieuwe.
–= Trek het getal rechts van de operator af van de variabele links en overschrijf de oude waarde met de nieuwe.
*= Vermenigvuldig het getal rechts van de operator met de variabele links en overschrijf de oude waarde met de nieuwe.
/= Deel de waarde van de variabele door het getal rechts en overschrijf de oude waarde met de nieuwe.
%= De waarde van de variabele links wordt door het getal rechts gedeeld en de rest wordt toegekend aan de variabele.

Het statement a += 1 is dus een verkorte schrijfwijze voor a = a + 1. Omdat het verhogen en verlagen van variabelen heel vaak voorkomt, zijn hiervoor nog twee andere toekenningsoperatoren beschikbaar. In het Engels zijn dit de increment (verhogen) en decrement (verlagen) operatoren:

Deze operatoren zijn unaire operatoren omdat ze slechts met één operator werken. Ze kunnen zowel prefix (voor de variabelenaam) als postfix (achter de variabelenaam) gebruikt worden. Dus zowel a++ als ++a verhogen beide de variabele a. Het verschil is echter het tijdstip waarop de variabele wordt verhoogd:

In de prefix–notatie (++a) wordt een variabele verhoogd voordat deze in een expressie wordt gebruikt. Bij de postfix-notatie (a++) wordt eerst de waarde van de variabele in de expressie gebruikt, na afloop wordt de variabele met één verhoogd.

uitgewerkt voorbeeld

terug