Huwelijk


  1. Inleiding
  2. Het wettelijk stelsel
  3. Hoe bewijzen de echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel welke goederen tot hun eigen vermogen behoren?
  4. Het bestuur en beheer van het gemeenschappelijk vermogen in het wettelijk stelsel
  5. De verhaalbaarheid van de schulden
  6. Afwijken van de regels van het wettelijk stelsel
  7. De langstlevende echtgenoot bevoordelen
  8. De andere huwelijksstelsels
  9. Het stelsel van scheiding van goederen
  10. Het stelsel van de algehele gemeenschap
  11. Het huwelijkskontrakt wijzigen tijdens het huwelijk
    Een huwelijkskontrakt maken nadat men gehuwd is
  12. Besluit
  13. Interessante artikelen


Inleiding

Op het ogenblik dat een echtpaar in het huwelijk treedt, beloven zij met elkaar lief en leed te delen.
Maar naast lief en leed zullen ze ook bezittingen delen, schulden aangaan, goederen kopen en erven, een inkomen verwerven.
Het zal allemaal op een bepaalde manier tussen hen "verdeeld" zijn.

Het huwelijksvermogensrecht is de rechtstak die dit alles regelt.

Er dienen regels te bestaan die bepalen welk goed van wie is. Of het van beide echtgenoten gemeenschappelijk of onverdeeld is, van de man alleen is of van de vrouw alleen. Dat alles wordt geregeld door het huwelijksvermogensstelsel. Het huwelijksvermogensstelsel is dus een geheel van regels met het oog op de regeling van de onderlinge vermogenstoestand der echtgenoten.

Er bestaan verschillende stelsels; de drie belangrijkste zijn:

Dit laatste is het stelsel dat door de wet automatisch van toepassing wordt verklaart op iedereen die geen huwelijkskontrakt maakt.

Het voornaamste dat aanstaande echtgenoten doen bij het maken van een huwelijkskontrakt is kiezen voor een bepaald stelsel.

Het huwelijkskontrakt is aldus de notariële akte waarin de aanstaande echtgenoten kiezen voor een bepaald huwelijksvermogensstelsel.
Maak je geen huwelijkskontrakt, dan is het wettelijk stelsel van toepassing.

Naast de keuze van een bepaald stelsel kan het huwelijkskontrakt ook andere zaken bevatten.
Men kan kiezen voor een bepaald stelsel, maar de regels van dat stelsel aan de bijzonderheden van je eigen huwelijkssituatie aanpassen.
Je kan sommige regels van het stelsel uitsluiten of aanpassen. Dat alles wordt gedaan in het huwelijkskontrakt.

Maar niet van alle regels kan afgeweken worden.
Sommige regels zijn, zonder dat ze wijzigbaar zijn, op alle gehuwden van toepassing, ongeacht onder welk stelsel ze gehuwd zijn.
In het huwelijkskontrakt kan van deze zogenaamde primaire regels niet afgeweken worden.

Enkele van deze onveranderlijke regels zijn:

Andere regels daarentegen zijn enkel toepasselijk voor zover men er niet van heeft afgeweken in het kontrakt.
Ze zijn dus ook van toepassing op echtgenoten die zonder kontrakt huwden.

Enkele voorbeelden van deze regels zijn:

Van deze regels kan in het huwelijkskontrakt afgeweken worden.

Het geheel van regels die van toepassing zijn op echtparen die zonder huwelijkskontrakt gehuwd zijn noemen we het wettelijk stelsel.
Het is het stelsel dat de wet automatisch laat gelden als men niets anders kiest (m.a.w. indien men geen huwelijkskontrakt heeft).

Het wettelijk stelsel

EIk gehuwd echtpaar dient onderworpen te zijn aan een stelsel.
Het is ondenkbaar dat er echtparen zouden bestaan waarvoor niet uitgemaakt kan worden of een goed nu van de man is, van de vrouw of van beiden.

Daarom zal elk echtpaar dat geen huwelijkskontrakt gemaakt heeft, van de dag van hun burgerlijk huwelijk onderworpen zijn aan een stelsel dat de wetgever hen oplegt: het wettelijk stelsel genoemd.

Het wettelijk stelsel verdeelt de goederen van de echtgenoten in drie vermogens:

Erg vereenvoudigd kan men zeggen dat het wettelijk stelsel door vier basisregels geregeerd wordt:

  1. EIGEN zijn:
    alle goederen die men bezit vóór het huwelijk.
    Bijvoorbeeld: De auto van de man, zijn spaarrekening;
    De bouwgrond die de man aankocht vóór het huwelijk.
    Het erfdeel dat de vrouw reeds bezit ingevolge het overlijden van haar vader vóór het huwelijk; het kapsalon dat zij reeds uitbaat bij het aangaan van het huwelijk.
    Ook eigen blijven de schulden die men vóór het aangaan van het huwelijk reeds heeft.
  2. EIGEN zijn:
    alle goederen verworven via een nalatenschap of via een schenking.
    Ook de schulden ten laste van erfenissen of schenkingen, zijn eigen schulden in het wettelijk stelsel.
  3. GEMEENSCHAPPELIJK zijn:
    alle inkomsten. Zowel beroepsinkomsten (lonen, wedden, werkloosheidsuitkeringen, ...) als inkomsten uit eigen goederen.
    Voorbeelden van inkomsten uit eigen goederen zijn:
    De huurgelden van een eigen woning, b.v. van de woning die geërfd werd.
    De intresten van obligaties die men reeds voor het huwelijk bezat.
  4. GEMEENSCHAPPELIJK zijn:
    alle goederen waarvan niet kan bewezen worden dat ze eigen zijn van één der echtgenoten.

Alle gemeenschappelijke goederen vormen samen het gemeenschappelijk vermogen .

Hoe bewijzen de echtgenoten die gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel welke goederen tot hun eigen vermogen behoren?

Hierboven werd gezegd dat goederen waarvan de echtgenoten niet kunnen bewijzen dat ze eigen zijn, geacht worden tot de huwelijksgemeenschap te behoren.
Wenst men iets voor zich te houden, dan moet men kunnen bewijzen dat het een eigen goed is.
Het bewijs dat iets van de man dan wel van de vrouw is, zal vooral van belang zijn bij echtscheiding.
Bij echtscheiding worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld.
Goederen die eigen zijn aan één der echtgenoten hoeven niet verdeeld te worden. Elk der echtgenoten behoudt zijn eigen goederen.

Ook als schuldeisers van één der echtgenoten beslag komen leggen, kan het van groot belang zijn dat men kan aantonen welke goederen van de andere echtgenoot zijn.

Tenslotte is het ook van belang bij het overlijden van één der partners.
De eigen goederen van de overleden echtgenoot vererven aan zijn of haar erfgenamen.
De gemeenschappelijke goederen moeten - in principe - in gelijke helften verdeeld worden tussen de erfgenamen van de eerstgestorvene en de langstlevende echtgenoot.

Bewijsregels

Het is daarom belangrijk dat men kan bewijzen dat goederen eigen zijn.
Het zijn de bewijsregels die bepalen hoe de echtgenoten kunnen bewijzen welke goederen hen eigen zijn en welke hen beiden toebehoren.

Opsomming in het huwelijkskontrakt

In het huwelijkskontrakt kunnen echtgenoten een opsomming laten opnemen van goederen die men op het ogenblik van het aangaan van het huwelijk bezit en aldus eigen zijn.
Het huwelijkskontrakt zelf vormt dan het bewijs.
Het huwelijkskontrakt kan nooit verloren gaan; het origineel exemplaar wordt door de notaris bewaard en daarvan kan altijd een afschrift opgevraagd worden.

Alle meubelen worden geacht gemeenschappelijk te zijn van beide echtgenoten.
Ook die meubelen waarvan men een factuur heeft op naam van één der echtgenoten. (uitzondering: huwelijkscontract scheiding van goederen, zie verder)

Bij echtelijke konflikten komt het meermaals voor dat men de eigenheid van bepaalde goederen wil aantonen met een factuur.
Indien deze factuur dateert van tijdens het huwelijk, zal dit geenszins het bewijs vormen dat het goed eigen is aan de persoon op wiens naam de factuur staat.
Men gaat er immers vanuit dat de factuur betaald zal zijn met inkomsten.
Inkomsten zijn gemeenschappelijke gelden in het wettelijk stelsel (niet zo voor stelsel van scheiding van goederen, waar de inkomsten eigen blijven).
Goederen die men met gemeenschappelijk gelden aankoopt zullen tot het gemeenschappelijk vermogen behoren.

Heeft men echter eigen geld, bijvoorbeeld uit een erfenis, dan kan dat geërfd geld besteed worden; wederbelegd worden, in bijvoorbeeld een schilderij.
In dat geval en in de veronderstelling dat kan aangetoond worden dat bedoeld schilderij gekocht werd met die eigen - geërfde - gelden zal het schilderij een eigen goed zijn van die echtgenoot. Het is in wederbelegging van eigen geld gekocht.

Wenst men een grond, een huis of ander onroerend goed in wederbelegging als eigen goed aan te kopen dan is het absoluut noodzakelijk dat zulks in de notariële aankoopakte vermeld wordt.
Is dat niet gebeurd dan kan dat onroerend goed niet als een eigen goed beschouwd worden.
Breng de notaris tijdig op de hoogte van Uw bedoeling.

De bankrekening op mijn naam is niet mijn eigen geld?

Het geld op Uw bankrekening, indien U zonder huwelijkskontrakt gehuwd bent, is inderdaad niet Uw geld (behoudens uitzonderingen)!
Het is het geld van U en van Uw echtgenoot of echtgenote.
Wat hierboven gezegd werd omtrent de facturen op naam van één der echtgenoten, moet onverkort toegepast worden op de bank- en spaarrekeningen die op naam staan.
Op de rekeningen van de echtgenoten zullen naar alle waarschijnlijkheid voor het overgrote deel de inkomsten van de echtgenoten gestort worden.

Ongeacht of op de rekening van de man, het loon van de man gestort wordt en op de rekening van de vrouw het loon van de vrouw, toch zullen de gelden op die beide afzonderlijke rekeningen, gemeenschappelijk zijn. Dit alles dus steeds in de situatie waarbij echtgenoten onder het wettelijk stelsel zijn gehuwd.
Bij echtscheiding en bij overlijden zullen beide rekeningen in principe gelijk verdeeld moeten worden.
Het spreekt vanzelf dat ook de rekening op naam van beide echtgenoten, aan dat regime onderworpen wordt.

Het bestuur en beheer van het gemeenschappelijk vermogen in het wettelijk stelsel

EIk der echtgenoten is baas over zijn eigen goederen.
Daarop bestaat echter één uitzondering: de gezinswoning kan nooit zonder de instemming van de andere echtgenoot verkocht of met hypotheek bezwaard worden.
Het gemeenschappelijk vermogen moet door beide echtgenoten gezamenlijk beheerd en bestuurd worden.
Dat wil niet zeggen dat je voor elke betaling, voor elke aankoop steeds samen moet tekenen.
Dagdagelijkse handelingen kunnen de echtgenoten elk afzonderlijk stellen.
Er wordt verondersteld dat de andere echtgenoot akkoord is.
Belangrijke handelingen, zoals een hypotheeklening aangaan, een woning of grond kopen, een lening op afbetaling aangaan, daarvoor moet je wel samen tekenen.
Tekent in zulk geval één der echtgenoten alleen, dan kan de andere echtgenoot dit kontrakt laten vernietigen.

UITZONDERING: de man of de vrouw die een beroep uitoefent, kan alle daartoe noodzakelijke handelingen alleen stellen.
De man zowel als de vrouw kunnen, binnen het kader van hun beroepsbezigheden, zonder toestemming van de andere echtgenoot afbetalingskredieten aangaan, een inschrijving laten nemen op hun handelszaak, enz.
Oefenen beide echtgenoten gezamenlijk eenzelfde beroep uit, dan moeten ze wel samen beslissen.

De verhaalbaarheid der schulden

Als mijn man schulden maakt, kan men daarvoor dan al onze gezamenlijke goederen in beslag nemen of slechts de helft?
Kan men mijn goederen in beslag nemen of blijven deze "buiten schot"?

Zoals vermoed wordt in een wettelijk stelsel dat alle goederen gemeenschappelijk zijn, zo wordt ook voor de schulden vermoed dat ze gemeenschappelijk zijn.
Men gaat er met andere woorden vanuit dat alle schulden gemeenschappelijk zijn.
Alle schulden die de echtgenoten samen tekenen zijn gemeenschappelijke schulden.
Maar ook schulden die slechts door één echtgenoot aangegaan worden, kunnen gemeenschappelijke schulden zijn.
Zo zijn alle schulden die gemaakt worden in het belang van het gezin en van de huishouding, gemeenschappelijk.

Voorbeelden van zulke gemeenschappelijke schulden zijn:

Voor gemeenschappelijke schulden, kunnen de gemeenschappelijke goederen, maar ook de eigen goederen der echtgenoten aangesproken worden.
Dus ook de goederen van die echtgenoot die niet mee getekend heeft, kunnen voor gemeenschappelijke schulden aangeslagen worden!

Afwijken van de regels van het wettelijk stelsel

Alles wat hierboven gezegd werd geldt voor echtgenoten die zonder kontrakt gehuwd zijn.

Door een huwelijkskontrakt te maken kan je van de regels afwijken.
Je kan wat je niet zint, afschaffen en vervangen door andere regels.

 

Inbreng van een eigen onroerend goed.

Wanneer één der aanstaande echtgenoten reeds vóór het huwelijk eigenaar is van een perceel bouwgrond waarop het toekomstig koppel samen een woning zal gaan bouwen, is het raadzaam een kontrakt te maken.
In dat kontrakt kan je bedingen dat het perceel bouwgrond niet eigen blijft maar gemeenschappelijk wordt.
Immers indien de bouwgrond eigen blijft, zal onvermijdelijk ook de woning die daarop gebouwd wordt eigen zijn van die echtgenoot van wie de grond is, overeenkomstig het principe van recht van natrekking.
Het feit dat deze woning betaald werd met gelden die van beide echtgenoten zijn, verandert daaraan niets.
Daarom is een huwelijkskontrakt in dat geval zeer aan te raden.
In dat kontrakt zal de bouwgrond gemeenschappelijk gemaakt worden aan beide echtgenoten.

Beding van terugname bij echtscheiding

Als de aanstaande echtgenoot zijn bouwgrond gemeenschappelijk heeft gemaakt, zal dit als gevolg hebben dat bij echtscheiding deze grond tussen beide partners gedeeld moet worden.
Dit wenst men niet altijd.
Immers de bouwgrond werd betaald met gelden van de man alleen, hij kocht het voor het huwelijk.
Als het dan tot een echtscheiding komt, is het des te pijnlijker als men zijn eigen grond voor de helft verliest.
Om daaraan te verhelpen kan men in het huwelijkskontrakt een clausule opnemen.
Die clausule bepaalt dan dat bij echtscheiding de waarde van de bouwgrond, die gemeenschappelijk gemaakt werd, volledig en alleen toekomt aan de echtgenoot die hem inbracht.

Dit zijn twee voorbeelden van clausules die het WETTELIJK STELSEL wijzigen.
Men maakt een huwelijkskontrakt waarin men kiest voor het wettelijk stelsel maar men wijzigt enkele zaken.

De langstlevende echtgenoot bevoordelen

Zeer veel voorkomende clausules in huwelijkskontrakten, zijn de bepalingen die ervoor moeten zorgen dat bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot, de langstlevende bevoordeeld wordt.

Deze clausules zijn voornamelijk van belang als er kinderen zijn.

Als er geen kinderen zijn, komt het gemeenschappelijk vermogen volledig en in volle eigendom toe aan de langstlevende echtgenoot (let wel: in een stelsel van scheiding van goederen bestaat geen gemeenschappelijk vermogen).
Als er wel kinderen zijn, dan wordt de huwelijksgemeenschap in twee gelijke helften verdeeld. De ene helft voor de langstlevende echtgenoot, de andere helft voor de kinderen.
De langstlevende echtgenote behoudt wel het levenslang recht om de zaken van de gemeenschap te blijven gebruiken. Zij krijgt het vruchtgebruik.

 

De ongelijke verdeling van de huwelijksgemeenschap

In het huwelijkskontrakt is het mogelijk om af te wijken van de gelijke verdeling van de gemeenschap.
Men kan bepalen dat de langstlevende meer dan de helft krijgt.
Dat kan men door een clausule van ongelijke verdeling.
Daarin bepalen de echtgenoten dat de langstlevende van hen beiden, meer dan de helft van de huwelijksgemeenschap verkrijgt. Men kan bijvoorbeeld bepalen dat de langstlevende 3/4 van de gemeenschap krijgt.
De kinderen krijgen dan slechts 1/4 in plaats van de helft.

Het verblijvingsbeding (ook "langst-leeft-al" genoemd)

Men kan zelfs bedingen dat de gehele gemeenschap aan de langstlevende toekomt.
Zulk een clausule noemen we het verblijvingsbeding.
De gehele gemeenschap verblijft volledig bij de langstlevende.

Het voorafname beding

Nog een andere mogelijkheid is te bepalen dat de langstlevende, vóór dat de verdeling uitgevoerd wordt, bepaalde zaken vooraf mag nemen.
Deze vooraf genomen zaken zijn dan voor 100% van de langstlevende, de overige zaken worden met de kinderen gedeeld.
Die clausule noemen we het beding van voorafname. Deze zou bijvoorbeeld zo geformuleerd kunnen worden: "De langstlevende der echtgenoten zal voor elke verdeling uit de gemeenschap mogen voorafnemen; de gezinswoning met alle daarin aanwezige huisraad en meubelen, alsook de wagen". Deze clausule zal als gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot of echtgenote volledig baas is in eigen huis. Indien die langstlevende de woning wenst te verkopen, moeten de kinderen niet mee tekenen. Indien deze clausule niet wordt opgenomen, moeten de kinderen mee akkoord gaan om de woning te kunnen verkopen .


"Langst leeft (bijna) al
artikel uit "De Standaard" van auteur Mark Delboo dd. 10/02/2000
Veel echtparen hebben een huwelijkscontract afgesloten waarin zij zijn overeengekomen dat de langstlevende het gehele gemeenschappelijke vermogen ontvangt wanneer een van hen overlijdt. Juridisch wordt dit bestempeld als een huwelijkscontract met een beding van niet-gelijke verdeling of een verblijvingsbeding (artikels 1461-1465 Burgerlijk Wetboek) . In de volksmond wordt dit vaak de clausule ,,langst leeft al'' genoemd.
Vóór de wijziging van het erfrecht van de langstlevende echtgenoot (in 1981) werd een ,,langst leeft al''-beding vaak aangeraden om te vermijden dat bij overlijden van de eerste echtgenoot de langstlevende de helft van het samen opgebouwde vermogen onmiddellijk naar de kinderen zou zien gaan. Vroeger kreeg de langstlevende echtgenoot bij overlijden van de eerste alleen zijn helft van de gemeenschap en had hij geen rechten meer in de andere helft.
Dat gaf in de praktijk soms aanleiding tot schrijnende gevallen. Iedereen kent immers wel de verhalen van een ouder die door één van zijn kinderen werd gedwongen het ouderlijk huis te verkopen of te verdelen. Door het afsluiten van een verblijvingsbeding werd dit uitgesloten.
Nu hebben verblijvingsbedingen echter min of meer hun waarde verloren, hoewel in bepaalde specifieke situaties een dergelijk beding ook nu nog nuttig kan zijn. Na overlijden van één van de echtgenoten, krijgt de langstlevende op grond van de wet -- naast de volle eigendom van zijn eigen helft van de gemeenschap -- het vruchtgebruik over de helft van de gemeenschap van de eerststervende echtgenoot en vererft alleen de blote eigendom daarvan aan de kinderen.
Een andere reden om niet meer in een ,,langst leeft al''-beding te voorzien of een dergelijk beding in een huwelijkscontract te wijzigen, bestaat in de negatieve gevolgen ervan op het vlak van de successierechten. Op grond van artikel 5 van het Wetboek van Successierechten zal alles wat de langstlevende méér ontvangt dan de helft van de gemeenschap, worden aangezien als een legaat.
Het specifiek inschrijven van deze fictie in de wetgeving was nodig omdat de voordelen die voor de langstlevende uit een dergelijk beding voortvloeien, juridisch verkregen worden uit een contract ten bezwarende titel, met name het huwelijkscontract. Dit legaat wordt enkel in hoofde van de langstlevende echtgenoot, en ten gevolge van de progressiviteit van de tarieven zwaarder, belast.
Een voorbeeld maakt duidelijk wat precies zo nadelig is aan zo'n contract.
Els en Marnick, die even oud zijn en in Vlaanderen wonen, hebben bij het afsluiten van hun huwelijk een verblijvingsbeding in hun huwelijkscontract laten inschrijven, waarbij de gehele gemeenschap bij overlijden van één van hen toekomt aan de ander.
We gaan ervan uit dat zij, toen ze huwden, niets bezaten en dat zij samen twee kinderen hebben. Op 64-jarige leeftijd overlijdt Marnick. Op dat ogenblik bedraagt de waarde van het gehele gemeenschappelijk vermogen 12 miljoen frank, bestaande voor de helft uit een woonhuis en voor de andere helft uit roerende goederen (meubels en beleggingen).
Op grond van het ,,langst leeft al''-contract komen alle goederen van de gemeenschap in volle eigendom aan Els toe, terwijl hun kinderen voorlopig niets krijgen. Els betaalt hierover 300.000 frank successierechten, de kinderen betalen uiteraard niets.
Bij het overlijden van Els vererft de gehele gemeenschap aan beide kinderen. Hierover moeten zij elk 300.000 frank successierechten betalen (als we ervan uitgaan dat het vermogen ongewijzigd is gebleven). Aan beide successies samen houdt Vlaanderen dus 900.000 frank over.
Indien Els en Marnick geen ,,langst leeft al''-beding hadden afgesloten, of indien zij hun huwelijkscontract nog tijdig hadden aangepast, had de wettelijke vererving er als volgt uitgezien.
Els zou bij het overlijden van Marnick het vruchtgebruik op de helft van de gemeenschap erven, en hun kinderen de blote eigendom ervan. In die hypothese zou Els 68.400 frank successierechten moeten betalen en de kinderen samen 111.600 frank.
Na het overlijden van Els groeit het vruchtgebruik van Els over de helft van het gemeenschappelijke vermogen van Marnick zonder successierechten aan bij de kinderen, en vererft de andere helft van de gemeenschap aan de kinderen in volle eigendom. Hierop zullen zij elk 90.000 frank betalen. Het volledige gemeenschappelijke vermogen van Els en Marnick vererft dus aan hun kinderen tegen betaling van 360.000 frank successierechten.
Uit dit voorbeeld blijkt dat door het verblijvingsbeding 540.000 frank meer successierechten moeten worden betaald. Men dient zich dus grondig te beraden waarom men zo'n beding heeft opgenomen in zijn huwelijkscontract, en of een wijziging van de bepaling, gezien de huidige wettelijke regeling, zich niet opdringt. In de meeste gevallen zullen zowel de langstlevende als de kinderen er immers goed bij varen."

De andere huwelijksstelsels

Tot zover hebben we het enkel gehad over het wettelijk stelsel.
Met name het stelsel dat van toepassing is op iedereen die geen kontrakt gemaakt heeft.
We bespraken ook dat men een kontrakt kan maken waarin men enkel afwijkt van sommige regels van het wettelijk stelsel.
Men blijft onder het wettelijk stelsel maar past het aan zijn behoeften aan.

In een huwelijkskontrakt kan je ook een totaal ander huwelijksstelsel aannemen.

De twee belangrijkste zijn

We bespreken kort de voornaamste kenmerken van deze twee andere stelsels. Daar benadrukken we vooral waarin ze verschillen van het wettelijk stelsel .

Het stelsel van scheiding van goederen

In tegenstelling tot het wettelijk stelsel dat drie vermogens telt, kent het stelsel van scheiding van goederen slechts twee vermogens:

Een gemeenschappelijk vermogen bestaat niet in een stelsel van scheiding van goederen.

Dit wil niet zeggen dat echtgenoten die met scheiding van goederen gehuwd zijn, niets samen kunnen hebben.
De goederen die ze samen hebben zijn niet gemeenschappelijk, ze zijn onverdeeld.
Tussen onverdeelde goederen en gemeenschappelijke goederen bestaat een essentieel juridisch verschil. De notaris kan U hierover inlichten.

In een stelsel van scheiding van goederen blijven de echtgenoten financieel volledig onafhankelijk van elkaar.
Het inkomen van de man, blijft van de man; het inkomen van de vrouw blijft van de vrouw.
De vermogens vermengen zich niet met elkaar; ze blijven gescheiden.

Bewijsregels en eigendomsvermoedens

Ook wat de bewijsregels betreft, functioneert het stelsel van scheiding van goederen volledig anders dan een wettelijk stelsel.
In een stelsel van scheiding van goederen zal de bankrekening op naam van de man, volledig en alleen toebehoren aan de man, die van de vrouw volledig eigendom zijn van de vrouw.
De wagen die ingeschreven staat op naam van de vrouw, behoort haar volledig toe.
Hetzelfde geldt voor de meubelen en andere zaken die men tijdens het huwelijk aankoopt.
Indien de aangekochte goederen betaald werden door één der echtgenoten zullen deze goederen die echtgenoot toebehoren.
Goederen waarvan geen facturen bestaan, of waarvan men op geen andere manier kan bewijzen dat ze eigen zijn, worden vermoed hen elk voor de helft toe te behoren.

Bij echtscheiding of overlijden zullen enkel die onverdeelde goederen verdeeld moeten worden.
De goederen die op naam staan van de ene of de andere echtgenoot moeten niet verdeeld worden, zij blijven toebehoren aan die echtgenoot op wiens naam ze staan.

Wat indien één der echtgenoten geen inkomen heeft

Vermits in het stelsel van scheiding van goederen, het beroepsinkomen van elk der echtgenoten voor hen eigen blijft, kan er een onevenwicht ontstaan indien één der echtgenoten geen beroepsinkomen heeft.
Deze echtgeno(o)t(e) heeft geen inkomen en beschikt dan ook niet over eigen gelden.

Bestuur en beheer

Het inkomen van elk der echtgenoten blijft eigen van elk van hen.
Dit wil ook zeggen dat ze elk baas en meester blijven over die inkomsten en ze vrij en zonder toestemming van de andere echtgenoot kunnen besteden.
Wel is het zo dat elk der echtgenoten vooreerst de plicht heeft om in evenredigheid van zijn vermogen, bij te dragen in de lasten van het huwelijk en in de kosten van het huishouden.
Elk der echtgenoten kan alléén een lening aangaan, een krediet op afbetaling afsluiten, een woning, een grond kopen.
In het wettelijk stelsel moet men al deze zaken samen beslissen en aangaan.
Het stelsel van scheiding van goederen biedt een bijna volledige financiële onafhankelijkheid tussen de echtgenoten.

Schulden en verhaalbaarheid

De schulden aangegaan door de man, kunnen enkel verhaald worden op de goederen van de man.
De vrouw kan niet verplicht worden mee te betalen voor deze schulden en haar eigen goederen kunnen niet aangeslagen worden.
Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde voor de schulden aangegaan door de vrouw. Ook daarvoor draait de man niet op.
Indien de echtgenoten echter samen een schuld aangaan, zullen ze beiden aangesproken kunnen worden om ze te betalen.
In dat geval kunnen de goederen van zowel de man als van de vrouw in aanmerking komen voor beslag.

Bevoordeling van de langstlevende echtgenoot bij scheiding van goederen: minder ruime mogelijkheden

In een stelsel van scheiding van goederen bestaan er geen mogelijkheden om de langstlevende een groter deel dan de helft van de onverdeelde goederen te geven.
Men kan in het huwelijkskontrakt wel een schenking opnemen.
Vermits men hetzelfde resultaat bereikt met een testament of met een schenking buiten het huwelijkskontrakt, wordt dit laatste meestal aangeraden.
De schenking in het huwelijkskontrakt is immers niet herroepbaar wat bijzonder onaangenaam kan zijn indien men in echtelijke moeilijkheden komt.
Anderzijds is het in een stelsel van scheiding van goederen wel mogelijk om vrij de bezittingen tussen de echtgenoten te schikken.
Hetgeen wat op naam staat van de langstlevende moet bij overlijden niet verdeeld worden; het blijft van de langstlevende.
Wat op naam staat van de eerststervende, wordt geërfd (door de kinderen/door de ouders, broers en zusters van de eerstgestorvene).

Het stelsel van de algehele gemeenschap

Zoals de benaming van dit stelsel het reeds aangeeft, is alles in dit stelsel gemeenschappelijk.
Ongeacht de wijze waarop de goederen verkregen werden, ze zullen steeds voor de gelijke helft toebehoren aan beide echtgenoten.
Bij ontbinding van het stelsel (echtscheiding of overlijden) zal alles gedeeld moeten worden.
In het stelsel van algehele gemeenschap heeft het geen enkel belang wie wat gekocht of betaald heeft, op wiens naam de bankrekening staat, op wiens naam de factuur staat, of men de goederen reeds had voor het huwelijk, of tijdens het huwelijk gekocht heeft: alles is gemeenschappelijk.
Bij ontbinding moet alles gedeeld worden.
Het feit dat alles verdeeld moet worden, komt vooral bij echtscheiding soms hard en onrechtvaardig over.
De vrouw die van haar ouders een woning en een som geld geërfd heeft, zal niet opgelucht zijn indien zij deze goederen voor de helft "cadeau" moet doen aan haar man, van wie ze gescheiden is omdat deze haar ontrouw was!
Doch dat is de werking van het stelsel van algehele gemeenschap.

Bevoordeling van de langstlevende echtgenote

Het stelsel van algehele gemeenschap biedt zeer ruime kansen om de langstlevende der echtgenoten veilig te stellen tegen aanspraken van de kinderen.
Zoals in het wettelijk stelsel kan men bedingen van ongelijke verdeling of voorafname inbouwen.
Gezien alle goederen tot de gemeenschap behoren, kunnen alle goederen het voorwerp uitmaken van een bevoordelingsbeding (in een wettelijk stelsel kan men geen bevoordeling uitwerken met betrekking tot de eigen goederen).

Het huwelijkskontrakt wijzigen tijdens het huwelijk
Een huwelijkskontrakt maken nadat men gehuwd is

Sinds de wet van 1976 is het mogelijk dat echtgenoten tijdens hun huwelijk hun stelsel wijzigen.

Men onderscheidt twee procedures: de grote wijziging en de kleine wijziging.

De grote wijziging

Wanneer de echtgenoten een totaal ander huwelijksstelsel wensen aan te nemen, dient de grote procedure gevolgd te worden.
Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer je zonder kontrakt gehuwd bent en wenst over te stappen naar een stelsel van scheiding van goederen.
De grote procedure is vrij omslachtig en betrekkelijk duur.
De notaris zal U juist inlichten wat er precies voor nodig is en wat de kosten zijn.

Sedert 17 augustus 1998 worden voor volgende wijzigingen de boedelbeschrijving en regelingsakte facultatief gemaakt:

  1. inbreng van één of meer eigen goederen/schulden in het gemeenschappelijk vermogen. Ook de inbreng van een goed met de hierop rustende schuld geniet van het gunstregime
  2. inbreng in het gemeenschappelijk vermogen van een roerend of onroerend goed, waarin een echtgenoot reeds een onverdeeld aandeel bezit, onder de opschortende voorwaarde dat deze echtgenoot in de toekomst de geheelheid ervan verwerft
  3. inbreng van tussen echtgenoten onverdeelde goederen in het bestaande gemeenschappelijk vermogen
  4. het overbrengen van één of meerdere gemeenschappelijke goederen naar het eigen vermogen, althans voor zover het gemeenschappelijk vermogen niet ophoudt te bestaan
  5. vestiging van een recht van opstal op eigen goed in voordeel van het gemeenschappelijk vermogen
  6. vestiging van recht van opstal op gemeenschappelijk goed in voordeel van het eigen vermogen

 

De volledige grote wijzigingsprocedure moet gevolgd worden in volgende hypothesen:

  1. overgang van een goed van het eigen vermogen van de ene echtegenoot naar het eigen vermogen van de andere echtgenoot
  2. overgang van een gemeenschap van goederen (wettelijk stelsel of bedongen gemeenschap) naar een zuivere scheiding van goederen
  3. overgang van een zuivere scheiding van goederen naar een al dan niet beperkt gemeenschapsstelsel, voor zover bij de wijzigingsakte minstens één eigen goed in de gemeenschap wordt ingebracht
  4. overgang van een zuivere scheiding van goederen naar een algehele gemeenschap

 

De kleine wijziging

Wanneer de echtgenoten onder hetzelfde stelsel blijven maar dit stelsel enkel wensen aan te vullen met bijvoorbeeld bevoordelingsbedingen ten gunste van de langstlevende echtgenoot (voorafnamebeding en beding van ongelijke verdeling) dan kan dat door de zogenaamde "kleine procedure".
Deze procedure is zeer eenvoudig en vrij goedkoop.
Zeer veel echtgenoten wijzigen hun kontrakt om de langstlevende van hen beiden beter te beschermen tegen aanspraken van de kinderen of andere erfgenamen.
Het is een eenvoudige en goedkope wijziging die echter verstrekkende gevolgen kan hebben en de langstlevende in een komfortabele positie plaatst.

Sedert 17 augustus 1998 is geen rechterlijke homologatie meer vereist in geval van kleine wijziging: tot de kleine wijzigingen worden o.m. het toevoegen, wijzigen of afschaffen van bedingen van vooruitmaking of ongelijke verdeling en het toevoegen, wijzigen of herroepen (contracturele verzaking) van schenkingen tussen echtgenoten gerekend.

Sedert 1 januari 2000 is de aanwezigheid van 2 notariële getuigen ook NIET meer vereist.

Besluit

Het is geenszins de bedoeling van deze teksten om een volledig overzicht te geven wat mogelijk is omtrent huwelijkskontrakten.
We hebben enkel getracht aan te tonen hoe belangrijk een huwelijkskontrakt kan zijn.
Vele van de regels die we aangehaald hebben kennen talrijke uitzonderingen.
Enkel de algemene en voor de hand liggende zaken werden vermeld.
Deze tekst geeft een idee van wat kan.
Niet enkel mensen die op het punt staan te huwen moeten aan een huwelijkskontrakt denken.
Ook diegenen die reeds jaren gehuwd zijn hebben er alle belang bij zich te laten voorlichten wat er zou gebeuren indien één der partners overlijdt, indien men schulden maakt ...
Al te dikwijls moet de notaris vaststellen dat veel leed en ongenoegen vermeden had kunnen worden indien hij tijdig was geraadpleegd.

Interessante artikelen

"Met twee beslissen?

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 19/09/2000

U woont samen met uw echtgenote in een woning die u erfde van uw ouders of die u voor uw huwelijk al aankocht. Nu een kandidaat-koper een financieel aantrekkelijk bod deed, wil u de woonst in kwestie graag verkopen. Maar uw echtgenote is het daarmee niet eens. Zij verhuist liever niet. Geen probleem, zal u nu denken. De woning maakt deel uit van mijn eigen vermogen, dus ik beslis uiteindelijk; met of zonder goedvinden van mijn echtgenote. Helaas is dat niet zo. Zelfs al maakt de woning deel uit van uw eigen vermogen, u zal nog de instemming van uw echtgenote met de verkoop moeten bekomen.
Als een echtpaar een woning of appartement wil verkopen, moeten meestal beide echtelieden akkoord gaan. Dat is alleszins zo als ze gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel (scheiding van goederen en gemeenschap van aanwinsten) of een stelsel van gemeenschap van goederen en het onroerend goed in kwestie in het gemeenschappelijk vermogen zit.
Maar ook als de woonst in het eigen vermogen valt van één van de echtgenoten, is soms de instemming van diens partner nodig om het pand te kunnen verkopen. Meer bepaald is dit het geval als de woning de zogenaamde ,,gezinswoning'' is. In de praktijk kan het dan bijvoorbeeld gaan om een woning die één van de echtgenoten al aankocht voor het huwelijk, die deze erfde of om gevallen waarin de echtgenoten gehuwd zijn met een stelsel van scheiding van goederen en de woning op naam van een van beiden staat.
Niet elke woning kan als een gezinswoning worden beschouwd. Daarvoor moet het vooreerst gaan om een effectief bewoonde woning. Een leegstaand pand waar de echtgenoten pro forma zijn ingeschreven in het bevolkingsregister of een woning in opbouw volstaan dus niet. Bovendien moet de woning bewoond worden door minstens één van de echtgenoten en wordt slechts één woning per gezin beschermd, namelijk de voornaamste. Hebt u bijvoorbeeld zowel een huis in Brussel (waar u in de week woont), als een appartement aan zee (waar u in de weekends verblijft), dan kan alleen de woning in Brussel als de gezinswoning worden aangezien. Verhuurt u een huis en bewoont u het niet zelf, dan kan dat evenmin als de gezinswoning worden beschouwd.
Wil u een woning verkopen die als gezinswoning dienst doet, dan moet uw partner zijn/haar instemming geven. Zelfs al maakt de woonst deel uit van uw eigen vermogen. Meer nog, u mag zonder die instemming de woning zelfs niet eens hypothekeren (bijvoorbeeld als waarborg voor een lening bij de bank) of gewoon maar verhuren. Weigert de partner toestemming te geven, dan hebt u wel een verhaalmogelijkheid. Meer bepaald kan u dan naar de rechtbank stappen. En die zal nagaan of uw echtgenoot/echtgenote gewichtige redenen had om die instemming te weigeren. De rechtbank zal daarbij afwegen of de huisvesting van uw gezin door de voorgenomen handeling niet in het gedrang wordt gebracht. En in principe zal dit belang primeren boven uw eigen financiële belangen.
Overigens wordt de gezinswoning bij dit alles in haar geheel beschermd. Dit betekent dat het niet alleen gaat om de woonst op zich, maar ook om de garage, de tuin, eventuele bijgebouwen en dergelijke meer. Een man kan dus bijvoorbeeld niet zomaar (zonder instemming van zijn echtgenote) een gedeelte van de tuin verkopen aan een buur die zijn eigen tuin wil uitbreiden. Sterker nog, ook de huisraad die zich in de gezinswoning bevindt geniet eenzelfde bescherming. Behoort die tot het eigen vermogen van de man (bijvoorbeeld een salon die hij enkele jaren voor het huwelijk kreeg van zijn ouders) dan kan hij die evenmin verkopen zonder de instemming van zijn echtgenote.
Als deze regels niet worden nageleefd, kan de handeling worden nietig verklaard op verzoek van de echtgenoot/echtgenote. Die kan zelfs bijkomend een schadevergoeding vorderen. Nog dit: een eventuele vordering tot nietigverklaring dient wel te worden ingesteld binnen het jaar nadat de ontevreden partner kennis kreeg van de handeling in kwestie."

"Als het feest niet doorgaat

Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 29/02/2000
Het gebeurt zeer vaak dat verloofden geruime tijd voor hun geplande huwelijksdag allerlei bestellingen plaatsen. Ze leggen de feestzaal vast, reserveren een ceremoniemeester, bestellen een trouwjapon, kopen meubelen enzovoort. Als er dan uiteindelijk toch nog een kink in de kabel komt, dient het jonge ex-paar dit allemaal weer af te zeggen. Maar kan dat nog zonder kosten? Of kunnen de handelaars in kwestie eisen dat u toch de integrale factuur betaalt?
Het principe hier is vrij eenvoudig. Bij een mogelijke verbreking van de verloving, blijven al deze contracten in beginsel zonder meer bestaan. Het is dus niet omdat de vriend van uw dochter het bijvoorbeeld uitmaakte, dat u de trouwjurk niet meer dient af te nemen en dat niet meer moet betalen. Of dat u zich niet meer moet bekommeren om de bestelde meubelen. De handelaar kan er dus op staan dat het contract wordt nageleefd. U kan zich niet beroepen op zoiets als 'overmacht' om u dan alsnog aan de overeenkomst te kunnen onttrekken. Zelfs als u of dochter- of zoonlief geen enkele fout hadden aan de verbreking van de verloving.
Het beste wat u bij een verbreking van de verloving kan doen, is even de verschillende handelaars bellen om hen mee te delen wat het probleem is. Daarbij kan u hen vragen of ze niet bereid zijn het contract te annuleren. Werd het contract door de twee verloofden samen aangegaan, dan is het aangewezen dat u beiden aandringt op een annulatie. Hoe verder de huwelijksdatum nog ligt, hoe meer kans u hebt dat de handelaar in kwestie op uw verzoek ingaat.
Merkt u langs de andere kant van de lijn enige weerstand, stel dan voor een (beperkte) schadevergoeding te betalen. Mits natuurlijk het contract wordt geannuleerd.
Hou er rekening mee dat sommige handelaars wellicht moeilijker te overtuigen zijn dan andere. De bruidsmodewinkel die al een trouwjurk op maat liet maken, zal wellicht moeilijk te overtuigen zijn om een schadevergoeding te aanvaarden. Want aan wie raakt men de jurk nog kwijt... Zegt u daarentegen de zaal af zes maanden voor het feest zou plaatsvinden, dan is de kans niet gering dat de uitbater nog een andere klant kan vinden voor die avond en dat u er uiteindelijk goedkoop vanaf komt.
Bereikt u een akkoord, laat de handelaar de afspraak dan alleszins op papier bevestigen. Zo vermijdt u dat er later op wordt teruggekomen.
U merkt het dus : los van de emotioneel vaak lastige gevolgen van de verbreking, riskeert u ook nog op te draaien voor de financiële gevolgen van het uiteengaan.
Maar stel nu dat de schuld voor het uiteengaan duidelijk bij één van de verloofden ligt (omdat bijvoorbeeld iemand de andere bedroog), kan in dat geval van de ,,schuldige'' niet worden geëist dat hij of zij alle financiële gevolgen van de verbreking draagt? En dat de ,,onschuldige'' vrijuit gaat?
Zo eenvoudig ligt het niet. De handelaar zal de schadevergoeding alleszins eisen van zijn contractpartij. Hij trekt zich daarbij niets aan van wie al dan niet schuld draagt aan de verbreking. Voor haar japon zal dus de toekomstige bruid moeten betalen, voor de meubels diegene die de bestelbon ondertekende.
Als (ouder van de) ,,onschuldige'' verloofde zou u wel kunnen trachten de betaalde schadevergoeding terug te vorderen van diegene die de verloving verbrak. Maak u hieromtrent niet te veel illusies. Slechts zelden zal een dergelijke vordering succes kennen. U zou hiervoor moeten aantonen dat de verloofde een fout beging bij het verbreken van de verloving. En dat is allesbehalve gemakkelijk. Indien u er toch in slaagt zulke fout te bewijzen, kan u van diegene die de verloving verbrak, een vergoeding vragen voor de geleden materiële schade (bijvoorbeeld de schadevergoedingen) alsmede voor de morele schade.
Ten slotte kan worden opgemerkt dat, als de verloving wordt verbroken, de gewezen partners ook de geschenken die hen met het oog op het huwelijk werden gegeven, moeten teruggeven. Het betreft hier zowel de geschenken die in de onderlinge relatie tussen de partners werden gegeven als de goederen die hen door derden werden geschonken (bijvoorbeeld de ouders van één van de verloofden schenken met het oog op het huwelijk een lederen salon). Geschenken die uit genegenheid en niet met het oog op het huwelijk werden gegeven, mogen door de ex-verloofden wel worden behouden."

"Van schoonzus tot echtgenote
Artikel verschenen in De Standaard van auteur Jan Roodhooft dd. 26/06/2001
Volgens de Belgische wetgeving kan u niet zomaar in het huwelijk treden met om het even wie. Niet alleen kan u (voorlopig?) enkel huwen met een persoon van een verschillend geslacht, er geldt ook de regel dat bepaalde bloed- of aanverwanten niet zomaar met elkaar mogen trouwen. Voor sommige familieleden (bv. vader en dochter) is dit evident. Voor andere familieleden is het dat misschien minder. Maar wat kan er nu wel en wat juist niet? Wie kan met andere woorden binnen een familie met wie trouwen?
Het huwelijk tussen bloedverwanten in de rechte lijn is nooit toegelaten. Een vader kan dus nooit met zijn dochter in het huwelijk treden; hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor een grootmoeder en haar kleinzoon. Ook zij kunnen niet met elkaar in het huwelijksbootje stappen. Dat deze regel bestaat, zal wellicht niet veel verwondering wekken. Het is de logica zelve.
Voor bloedverwanten in de zijlijn (bv. broer en zuster, oom en nicht) geldt er eveneens een huwelijksverbod, maar dit slechts tot in de derde graad. In de tweede graad (de relatie tussen broer en zuster) is dat huwelijksbeletsel eveneens absoluut. Er kan dus in geen geval van afgeweken worden. Broer en zus kunnen met andere woorden in geen geval met elkaar huwen.
In de derde graad (de relatie tussen neef en tante of nonkel en nicht) is er wel een uitzondering mogelijk. De koning kan in dat geval namelijk om wat men noemt een ,,gewichtige reden'' dispensatie verlenen. Hij kan m.a.w. om gewichtige redenen toch toestaan dat er een huwelijk komt.
Tussen bloedverwanten in de zijlijn is het huwelijksverbod dus beperkt tot de derde graad. Dit betekent meteen dat bloedverwanten vanaf de vierde graad zonder meer met elkaar kunnen trouwen. Zonder daarvoor dispensatie aan de koning te moeten vragen. Een kozijn en nicht kunnen elkaar dus, in tegenstelling tot wat wel eens wordt gedacht, zonder enig probleem het jawoord geven. Er is geen enkele wettelijke bepaling die hen dat verbiedt. Hetzelfde geldt natuurlijk voor familieleden die nog verder in graad verwant zijn, zo bv. een achterkozijn en achternicht en bloedverwanten in een nog verdere graad.
In de relatie tussen aanverwanten is een huwelijk in de rechte lijn ook steeds verboden. Wat meteen betekent dat een schoonvader en schoondochter nooit met elkaar in het huwelijk kunnen treden. Hetzelfde geldt voor een stiefouder en stiefkind. In de zijlijn was er tot voor kort ook een beletsel voor wat betreft schoonbroer en schoonzus. Zij konden slechts met elkaar huwen na het overlijden van de broer of zus (via wie de aanverwantschap tot stand kwam). Na een echtscheiding van broer (zus) en schoonzus (schoonbroer) kon een huwelijk daarentegen niet. Tenzij de koning dit huwelijksverbod ophief (en dit om een zogenaamde gewichtige reden). In de praktijk werd, als het werd gevraagd, dit huwelijksverbod vaak opgeheven. De uitzondering was dus de regel geworden.
Een wet van eind maart dit jaar, die op 21 mei in werking trad, maakt het huwelijk tussen schoonbroer en schoonzus voortaan echter zonder meer mogelijk. Schoonbroer en schoonzus kunnen dus met elkaar huwen, op voorwaarde natuurlijk dat hun voorgaande huwelijk (met broer of zus) ongedaan is gemaakt, bijvoorbeeld ten gevolge van een echtscheiding of een overlijden van de broer of zus in kwestie.
Ten slotte bestaat er ook een huwelijksbeletsel in geval van adoptie. Is er sprake van een volle adoptie, dan gelden de hierboven besproken regels eveneens. Bij een gewone adoptie bestaat er een aantal andere huwelijksbeletsels (zo bv. tussen adoptant en geadopteerde)."



terug naar de home page

notariskantoor Van Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1

8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 20 augustus 2001