EVALUATIEVRAGEN ECONOMIE (verschenen in
Economische Didaktiek, jg. 31 - nr 3, oktober 1998)
Auteur: Koenraad Smekens
4 ASO
I. Antwoord met juist of fout en geef bij de
foutieve beweringen een formulering die wél juist is :
1. Een evenwijdige verschuiving van de
budgetlijn naar rechts kan het gevolg zijn van een daling van
het inkomen.
2. Auto's en benzine zijn complementaire
goederen.
3. Een evenwijdige verschuiving van de
budgetlijn naar links kan het gevolg zijn van het feit dat de
prijzen van beide goederen met eenzelfde percentage stijgen.
4. Indifferentiecurven snijden elkaar niet.
5. Indifferentiecurven zijn convex naar de
oorsprong.
6. Aangezien de ruilverhouding negatief is,
verlopen indifferentiecurven dalend.
7. Als de verbruiker één bepaalde
combinatie boven alle andere verkiest, spreken we van
indifferentie.
8. De ruilverhouding van goed x tegenover
goed y is het getal dat aangeeft hoeveel eenheden van x de
consument wil afstaan om één eenheid van y meer te
verwerven.
9. De ruilverhouding neemt toe naarmate de
consument meer eenheden van goed y verwerft.
10. Een preferentieschema is een
verzameling van budgetlijnen.
11. De grafische voorstelling van de
goederencombinaties die de consument kan verwerven als hij
zijn inkomen volledig besteedt, noemt men een
indifferentiecurve.
12. Hoe verder een indifferentiecurve van
de oorsprong ligt, hoe nuttiger de combinaties op de curve
zijn.
13. Een goederencombinatie die links van de
budgetlijn ligt, kan de consument niet verwerven.
14. De optimale goederencombinatie kan men
grafisch herkennen door het snijpunt van de budgetlijn en van
een indifferentiecurve die zo ver mogelijk van de oorsprong
ligt.
15. Gewone goederen zijn goederen waarvan
het verbruik toeneemt naarmate het besteedbaar inkomen
toeneemt.
16. Het verbruik van inferieure goederen
neemt af naarmate het besteedbaar inkomen afneemt.
17. Zout is een voorbeeld van neutrale
goederen.
18. Een prijsstijging van goed x heeft -
bij een ongewijzigd besteedbaar inkomen - een wenteling van
de budgetlijn naar links tot gevolg.
19. Hardware en software zijn
substitueerbare goederen.
20. Als door een prijsdaling het verbruik
van één van twee complementaire goederen toeneemt, neemt
het verbruik van het andere goed af.
21. Een prijswijziging brengt een
verschuiving van de vraagcurve teweeg.
22. De individuele vraagcurve geeft het
verband aan tussen de prijs van een goed en de gevraagde
hoeveelheid van dat goed, bij één enkele verbruiker.
23. Een toename van het inkomen veroorzaakt
een beweging langsheen de vraagcurve.
24. Een wijziging in de voorkeur van de
consument heeft een verschuiving van de individuele
vraagcurve tot gevolg.
25. De collectieve vraagcurve is de som van
de individuele vraagcurven.
II. Is het mogelijk dat indifferentiecurven
elkaar snijden ? Verklaar je antwoord (grafiek + toelichting !).
III. Ontwerp een consumentenmodel waar bij
gelijkblijvende prijzen een inkomenstoename een toename in het
verbruik tot gevolg heeft van beide goederen.
IV. Je beschikt over een inkomen van 7 500 BEF
dat je kunt besteden aan boeken (= goed x) en CD's (= goed y). De
prijs van een CD is 750 BEF, de prijs van boeken is veranderlijk.
a. als een boek 750 BEF kost, is de
optimale goederencombinatie 4 boeken en 6 CD's.
b. als een boek 1 250 BEF kost, is de
optimale goederencombinatie 3 boeken en 5 CD's.
Gevraagd :
1) Geef voor de gevallen a en b de
budgetlijnen en de passende indifferentiecurven grafisch
weer. (1 cm = 2 eenheden)
2) Leid uit het gegeven model de vraag naar
boeken af en geef ze op een andere grafiek weer. (1 cm = 250
BEF)