Evaluatievragen Sociaal Recht
Artikel gepubliceerd in het Tijdschrift Economische Didactiek, jrg.32, nr.1

 

A. Inleiding

Link naar de evalutievragen

Binnen de Sectie Recht van het Centrum voor Didactiek wijdde een didactisch labo zich aan het opstellen van evaluatievragen met betrekking tot de leerstof sociaal recht / sociale wetgeving, zoals die wordt gegeven in het T.S.O., 3de graad - 2de leerjaar jaar.

De voorliggende tekst is het resultaat van een aantal werkvergaderingen waaraan een pedagogisch begeleider, een aantal leerkrachten , de voorzitter en enkele leden van de werkgroep recht deelnamen, m.n. : Vicky Beliën, Lutgard Carette, Frans Cool (pedagogisch begeleider Bisdom Brugge), Marleen Deckers, Wim Lecluyse, Christine Plaetinck (case-study), Koenraad Smekens (eindredactie vragen), Lena Van Slycken (algemene leiding , inleiding ) en Jan Verelst..

Het opzet van deze publicatie is tweeledig : enerzijds leerkrachten een aantal voorbeelden verstrekken waaruit ze kunnen putten bij het opstellen van summatieve evaluatievragen, anderzijds de mogelijkheid aanbieden om te komen tot een grotere verscheidenheid van vragen.

Er werd geopteerd voor een brede waaier van vragen , zodat verschillende soorten aan bod komen. De voornaamste indeling betreft het onderscheid : reproductievragen (toetsen van de overgedragen kennis en van het memoriseren ), inzichtsvragen (leggen van verbanden, maken van vergelijkingen, aanzet tot nadenken over de leerstof) en toepassingsvragen ( verband leggen tussen theorie en praktijk, bv. aan de hand van een situatieschets of van een case-study). De aandacht ging minder naar open vragen ( die komen al te veelvuldig reeds aan bod) en in mindere mate naar meerkeuzevragen.

Bij de toepassingsvragen werd variatie gebracht in het toetsen van vaardigheden : via een situatieschets de leerstof toepassen, tabellen leren interpreteren, wetteksten en andere documenten leren lezen en de leerstof erin terugvinden, begrippen leren verklaren in een bepaalde context.

De gestelde evaluatievragen moeten een weerspiegeling zijn van de wijze waarop men les geeft. Het bereikte resultaat van de leerlingen is tevens het resultaat van het gegeven onderwijs: onrechtstreeks wordt het didactisch proces getoetst. De aangewende lesmethodiek zal dus de keuze van de soort vragen beïnvloeden. Peilt men niet zozeer naar de feitenkennis, maar voornamelijk naar verbanden tussen leerstofelementen, laat men toepassingen maken op basis van de geziene leerstof, dan moedigt men het zogenaamd >diep leren= van de leerlingen aan en vermijdt men het >oppervlakkig leren=. Het is dan ook nodig dat de leerlingen, via de gebruikte methodiek, voorbereid zijn op de aard van de vragen die uiteindelijk hun kennisinformatie en hun vaardigheden zullen toetsen. Omdat het louter overbrengen van cognitieve kennis niet beantwoordt aan de doelstellingen van het leerplan en de didactische wenken bij het leerplan tevens het aanbrengen van vaardigheden beklemtonen, dient de methodiek daaraan te worden aangepast en moeten derhalve ook de evaluatievragen divers van aard zijn.

Bovendien laat het leerplan ruimte voor creativiteit van de leerkracht, wat dan weer kan resulteren in de evaluatievragen, bv. vragen die verband houden met een bezoek aan instellingen, vragen die verband houden met een actueel, in de klas besproken gegeven.

De gepubliceerde vragen zijn een greep uit een grotere hoeveelheid. Ze werden gegroepeerd volgens de leerstof, geordend per soort en geselecteerd. De goed bevonden vragen werden behouden. Het kwam ons niet didactisch voor minder goed geachte vragen mee te delen met de motivering waarom.

Bij de selectie kunnen volgende criteria als bepalend worden gezien :

1. de vragen moeten inhoudelijk betrekking hebben op en een goede afspiegeling zijn van een deel van de leerstof of van een bepaald leerstofdomein dat de leerlingen zelf weten te situeren; stapelvragen werden vermeden.

2. de vragen vereisen zoveel mogelijk een specifieke kennis / inzicht/ vaardigheid van de leerling

3. detailvragen of vragen over niet-essentieel geachte leerstof worden vermeden

4. de correlatie met de doelstellingen van het leerplan en met de onderwijsdoelen worden voor ogen gehouden

5. de formulering van de vragen moet correct zijn en duidelijk; de vragen moeten eenduidig zijn en mogen geen aanleiding geven tot verwarring of twijfel bij de leerlingen

6. de antwoorden moeten resulteren in volzinnen en de hoeveelheid gevraagde informatie wordt binnen perken gehouden ( geen kortantwoordvragen ( ja/neen/ één woord invullen), maar ook geen opstelvragen met zeer uitgebreid antwoord); de vragen zijn desgevallend voorzien van een antwoordrestrictie

7. de leerlingen moeten de vragen kunnen beantwoorden binnen een bepaald tijdbestek.

Bij de keuze van de vragen is het tevens aangewezen dat de leerkracht rekening houdt met :

1. een diversiteit van soorten vragen

2. spreiding over het geheel van de geziene stof

3. voorafgaande puntenindeling ( globale cijfer + onderverdelingen), afhankelijk van de belangrijkheid en in verhouding van de soorten vragen ,
bv. : voor TSO : 40% theorie ( reproductievragen), 30% toegepast inzicht ( inzichtsvragen ), 30% toepassingen (toepassingsvragen + situatieschets + documenten)

4. de kwoteringscriteria, om een antwoord als goed of als fout aan te rekenen, moeten duidelijk zijn en vooraf bepaald naar het leerdoel dat men wil bereiken

Voor de leerlingen is het belangrijk dat ze de wijze van puntenverdeling kennen en dat ze aan de hand van voorbeelden worden voorbereid op de soorten vragen die op het examen worden gesteld, wat effect resorteert ten aanzien van hun studiemethode.

Wat leerlingen uit de les meedragen houdt in hoge mate verband met de inhoud en de wijze waarop ze geëvalueerd worden. Een goed evaluatiesysteem is derhalve belangrijk voor het beïnvloeden van het leren van de leerlingen ( De Corte,E., Janssens, S e.a., Algemene Didactiek, Leuven, Acco, p.108)

B. Evaluatievragen

I. Inleiding en Sociale verstandhouding Toepassingsvragen aan de hand van tabellen
II. Arbeidsovereenkomsten Meerkeuzevragen
III. Arbeidsreglementering Diverse toepassingen
IV. Arbeidsongevallen Toepassing op basis van wetteksten
V. Sociale zekerheid Gemengde vragen

Case study met behulp van documenten

I. Inleiding en Sociale verstandhouding

Reproductievragen

  1. In de sociale wetgeving zijn er twee onderdelen te onderscheiden. Geef deze domeinen en hun respectievelijke doelstellingen.
  2. a. Wat verstaat men onder "sociale partners"?
    b. Geef een voorbeeld op nationaal én sectorieel niveau.
  3. Welke bevoegdheid heeft de ondernemingsraad? Geef een korte uitleg en verduidelijk met 2 voorbeelden.
  4. Geef de samenstelling en de bevoegdheid van:
    a. de NAR
    b. het CPB
  5. Schrijf volgende letterwoorden voluit en situeer binnen de leerstof i.v.m. de sociale verstandhouding:
    a. ACOD
    b. LBC
    c. BBTK
    d. NCMV
    e. CCOD
    f. ACLVB
    g. NAR
    h. ACV
    i. VBO
  6. a. Wat is een vakorganisatie?
    b. Wat is hun doel?
    c. Geef de 3 interprofessionele vakorganisaties voor werknemers. (afkorting + volledig uitschrijven)
  7. a. Waarvoor staat de afkorting CAO?
    b. Geef een omschrijving van het begrip CAO.
    c. Waar is een CAO van toepassing?
    d. Wanneer is een CAO algemeen bindend?
  8. a. Welke organen voor bevordering van het welzijn op het werk bestaan er?
    b. Waarin verschilt hun taak?

Inzichtsvragen

  1. a. Som de 3 grote vakbonden in België op en verbind ze met hun politieke partij.
    b. Geef 3 interprofessionele werkgeversorganisaties en duid aan wiens belangen ze vertegenwoordigen.
    c. Wat zijn instellingen voor sociaal overleg? Zet deze instellingen op nationaal, sectorieel en ondernemingsvlak in een overzichtelijk schema.
  2. Zet de instellingen voor sociaal overleg in een overzichtelijk schema en bespreek de bevoegdheden van deze instellingen.
  3. a. Wat zou de taak zijn van het "paritair subcomité van de Antwerpse haven"?
    b. Is er veel verschil tussen de ondernemingsraad en de syndicale afvaardiging? Leg dit uit.

II. Arbeidsovereenkomsten

Reproductievragen

  1. Geef een omschrijving van het begrip arbeidsovereenkomst?
  2. Aan welke algemene vereisten moet worden voldaan voor het geldig sluiten van een arbeidsovereenkomst?
  3. a. Moet een arbeidsovereenkomst schriftelijk worden afgesloten? Motiveer.
    b.Deel de arbeidsovereenkomsten in volgens de aard, de duur en de omvang van de prestaties.
  4. Geef vier verplichtingen voor de werkgever die ontstaan ten gevolge van de arbeidsovereenkomst.
  5. Welke gevolgen heeft het te laat op het werk komen door de werknemer wegens plotse, hevige sneeuwval? Verklaar.
  6. Welke formaliteiten moet de werknemer in acht nemen bij ziekte?
  7. Hoe eindigt de arbeidsovereenkomst?
  8. Is het noodzakelijk een arbeidsovereenkomst schriftelijk vast te leggen? Wees volledig en werk met voorbeelden.
  9. a. Wat betekent een schorsing van een arbeidsovereenkomst?
    b. Wat zijn de belangrijkste oorzaken van schorsing van de arbeidsovereenkomst?
    c. Welke 2 specifieke vormen van schorsing van de arbeidsovereenkomst voor de werklieden ken je?
  10. Wat wordt bedoeld met het recht van tegenopzegging door bedienden?
  11. Wanneer begint de opzegtermijn te lopen voor arbeiders/bedienden?
  12. a. Voor welke gevallen kan uitzendarbeid in aanmerking komen?
    b. Wie zijn de betrokken partijen bij uitzendarbeid?
    c. Tussen welke partijen wordt de arbeidsovereenkomst opgesteld?

Inzichtsvragen

  1. Mogen partijen in een arbeidsovereenkomst een regeling voorzien die afwijkt van de wet op de arbeidsovereenkomsten? Verklaar je antwoord.
  2. Is volgende uitspraak juist? Leg uit: "Een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid kunnen we gelijkschakelen met een overeenkomst voor tijdelijke arbeid.
  3. Op diverse vlakken worden arbeiders en bedienden door de wetgever anders behandeld. Geef 3 verschilpunten.
  4. Welk soort arbeidsovereenkomst hebben volgende personen en wat is de aard van de geleverde arbeid:
    a. een chauffeur bij een bank ten dienste van de directie
    b. onderhoudspersoneel in dienst van een onderwijsinstelling
    c. personeel dat in de keuken werkt voor een gezin
    d. een jobstudent die in een grootwarenhuis de rekken aanvult
    e. een personeelsverantwoordelijke in een bankinstelling
    f. een persoon die dagelijks de baan opgaat om nieuwe klanten op te sporen en contracten af te sluiten.
  5. Is de bijdrageregeling voor de sociale zekerheid ook van toepassing op de studentenovereenkomsten? Geef de nodige uitleg.
  6. Stel: in een bedrijf wenst een klant een bestelling te plaatsen op voorwaarde dat de levering van de bestelde goederen kan gebeuren binnen de drie maanden na het afsluiten van het contract. Deze voorwaarde stelt het bedrijf voor problemen, want de maximale productiecapaciteit is bijna bereikt met het huidige machinepark en het beschikbare personeel. Hoe kan dit bedrijf dit productieprobleem oplossen? Bespreek twee mogelijke manieren.
  7. Bespreek grondig wat er gebeurt bij een plotse eenzijdige verbreking van een arbeidsovereenkomst:
    a. wegens dringende reden,
    b. zonder dringende reden.
  8. a. Hoe lang kan een stagecontract duren?
    b. Welke vergoeding wordt er voor een stagecontract betaald?
    c. Welke maatregelen heeft de wetgever genomen om de werkgever ertoe aan te zetten een stagiair achteraf in dienst te houden? (voordelen werkgever) Vergeet niet de voorwaarden te vermelden die de wetgever hiervoor stelt!

Toepassingsvragen

  1. a. Wat is een proefbeding voor bedienden/arbeiders?
    b. Heeft de werkgever er belang bij een werknemer aan te nemen op proef? Leg uit.
  2. Is in volgende gevallen de arbeidsovereenkomst beëindigd of geschorst?
    a. wanneer de werkgever failliet wordt verklaard.
    b. wanneer de onderneming tijdelijk gesloten wordt door de overheid omdat de reglementering inzake het leefmilieu niet wordt nageleefd.
  3. a. Wat gebeurt er met de arbeidsovereenkomst van een notarisklerk indien de notaris komt te overlijden?
    b. Wat is het gevolg voor de arbeidsovereenkomst als de notarisklerk overlijdt?
  4. Geef een voorbeeld van overmacht waardoor een einde wordt gesteld aan de arbeidsovereenkomst.
  5. Geef drie (concrete) voorbeelden van een beëindiging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden.
  6. Een werkman heeft een diefstal gepleegd op maandag 8 december. De werkgever heeft dit vastgesteld op woensdag 10 december.
    a) Wanneer en
    b) hoe moet de arbeidsovereenkomst dan uiterlijk beëindigd worden indien de werkgever zich wil steunen op die zware fout?
    c) Leg ook uit welke de gevolgen zijn voor de werknemer.
  7. Een arbeidsovereenkomst kan worden gesloten voor een bepaald werk of voor een bepaalde duur.
    a. Geef twee concrete situaties waarin contracten van bepaalde duur van toepassing kunnen zijn.
    b. Geef twee concrete situaties waarin contracten voor een bepaald werk van toepassing kunnen zijn.
  8. a. Welk contract bestaat er als men een contract sluit met een schilder om een huis te schilderen?
    b. Een werkman is voor 4 maanden aangenomen en na verloop van die tijd werkt hij gewoon verder. Wat is het gevolg?
    c.
    1) Is de arbeidsovereenkomst beëindigd of geschorst wanneer een fabriek volledig door brand vernield wordt?
    2) En wanneer de werkgever failliet wordt verklaard?
    Leg uit.
    d. Een werkman biedt zich op het werk aan maar kan het werk niet beginnen omdat de toegang tot de fabriek afgesloten is door stakers. Heeft hij recht op loon voor die dag? Leg uit.

III. Arbeidsreglementering

Reproductievragen

  1. a. Omschrijf: arbeidsreglement.
    b. Geef vier onderwerpen die in het arbeidsreglement voorkomen.
    c. Wie stelt het arbeidsreglement op?
    d. Hoe moet het arbeidsreglement worden bekendgemaakt aan de werknemers?
    e. Op wie is het arbeidsreglement van toepassing?
  2. a. Geef een omschrijving van het arbeidsreglement.(arbeidsreglement geven).
    b. Wie stelt het arbeidsreglement op en wijzigt het?
    c. Hoe wordt het arbeidsreglement bekendgemaakt?
  3. Geef een overzicht van de belangrijkste materies die behandeld worden door de arbeidswet.
  4. Het verdiende loon wordt niet volledig uitbetaald aan de werknemer.
    a. Welke inhoudingen gelden voor elke werknemer?
    b. Welke bijkomende inhoudingen kunnen er gebeuren?
  5. In de arbeidswet zijn een aantal maatregelen voorzien in het kader van de gelijke behandeling van man en vrouw.
    a. Wat houdt dit principe van gelijke behandeling in? Op welke vlakken situeert zich die gelijke behandeling?
    b. Wat houdt het principe van de gelijke bezoldiging in?
    c. Wat wordt verstaan onder "positieve discriminatie" ten gunste van de vrouwen?
  6. In de arbeidswet zijn er een aantal beschermingsmaatregelen getroffen ten gunste van de werkneemster. Hoe wordt het moederschap specifiek door deze wet beschermd?
  7. Jeugdige werknemers genieten speciale beschermingsmaatregelen.
    a. Wie wordt met jeugdige werknemers bedoeld?
    b. Het is hen verboden bepaalde arbeid te verrichten. Illustreer met 2 voorbeelden.
  8. a. Wat is overwerk?
    b. Wanneer is dit toegelaten? Maak een indeling en geef daarbij passende voorbeelden.
    c. Welke vergoeding moet er dan betaald worden door de werkgever?
  9. a. Wat gebeurt er indien een feestdag valt op een dag waarop niet gewerkt wordt?
    b. Wat indien die feestdag valt in een periode van schorsing van de arbeidsovereenkomst?

Inzichtsvragen

  1. Geef twee redenen aan waarom de werkgever principieel tegen overwerk zou zijn.
  2. Wat is het verschil tussen loonoverdracht en loonbeslag?
  3. De arbeidsduur is wettelijk beperkt, maar is door allerlei toegelaten uitzonderingen uiteindelijk vrij. Verklaar dit aan de hand van tenminste 4 duidelijke voorbeelden.

Toepassingsvragen

  1. Zijn volgende gevallen wettelijk toegelaten? Motiveer uw antwoord.
    a. Zes weken voor een bevalling verzoekt een arbeidster haar werkgever te mogen thuisblijven. De werkgever weigert
    .b. Drie weken na de bevalling hervat de arbeidster het werk.
  2. Bespreek de beschermingsmaatregelen die de wetgever heeft getroffen ten gunste van de jeugdige werknemer.
  3. Toon aan door middel van drie uitgewerkte voorbeelden dat de arbeidswet en de wet op de betaalde feestdagen tot doel hebben aan alle werknemers een menswaardig bestaan te waarborgen.

IV. Arbeidsongevallen

Reproductievragen

  1. Welke elementen moeten volgens de wet aanwezig zijn om te kunnen spreken van een arbeidsongeval?

Inzichtsvragen

  1. Toon aan dat het voor de werknemer gunstiger is een vergoeding te bekomen op basis van de wet op de arbeidsongevallen dan op basis van het Burgerlijk Wetboek.
  2. Doet een werkneemster er goed aan om haar werkgever zo vlug mogelijk op de hoogte te brengen van haar zwangerschap? Bespreek.

Toepassingsvragen

  1. Frans rijdt met zijn fiets naar zijn werk. Het heeft geijzeld en hij valt. Waarschijnlijk heeft hij een hersenschudding. Daarom brengt de ambulance hem naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Hij zal hierdoor enkele dagen afwezig zijn op zijn werk.
    Gaat het hier om een arbeidsongeval? Toon aan.

V. Sociale zekerheid

Reproductievragen

  1. Eén van de pijlers van de sociale wetgeving is het stelsel van de sociale zekerheid.
    a. Welke doelstelling streeft de wetgever na met het stelsel van de sociale zekerheid?
    b. Op welke wijze tracht de sociale zekerheid deze doelstelling te realiseren?
    c. Welke sectoren zijn er voorzien in het stelsel van de sociale zekerheid?
    d. Het stelsel van de sociale zekerheid slorpt jaarlijks ongeveer 1.300 miljard BEF op. Op welke wijze gebeurt de financiering van de sociale zekerheid?
    e. De sociale zekerheid is gebaseerd op het principe van de solidariteit. Wat houdt dit principe in?
  2. De RSZ heeft een centraliserende en herverdelende functie.
    a) Waarvoor staat RSZ?
    b) Verklaar.
  3. Welke verplichtingen heeft de werkgever tegenover de RSZ?
  4. a. Verklaar de term V.D.A.B.
    b. Welke rol speelt ze in de sociale zekerheid? Geef bij haar bevoegdheden ook concrete voorbeelden.
  5. Bespreek de centraliserende en herverdelende werking van de RSZ voor de sector van de werkloosheidsverzekering. Werk met een schema.
  6. Aan welke voorwaarden moet men voldoen om van werkloosheidsuitkering te genieten? (enkel opsommen)
  7. Wat zijn de hoofdvoorwaarden waaraan de verzekerde moet voldoen om in orde te zijn voor de ziekteverzekering? Leg uit.
  8. Wat weet je over volgende begrippen? (sector, definitie, werking, voorbeeld)
    a. remgeld
    b. systeem van de derde betaler.
  9. Welke formaliteiten moet je vervullen ingeval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte?
  10. Welke voorwaarden worden gesteld opdat kinderen recht zouden geven op kinderbijslag?
  11. Aan welke voorwaarden moeten schoolverlaters voldoen om recht te hebben op wachtgeld?
  12. Vergelijk de stage voor jongeren met de E.W.E.-contracten.

Inzichtsvragen

  1. R.V.A. en V.D.A.B:
    a. Waarvoor staan deze afkortingen?
    b. Wat is het verschil tussen beide?
  2. Wat wordt verstaan onder het "systeem van de derde-betaler"? Vergelijk met het zogenaamde "remgeld".
  3. Aan welke voorwaarden moeten schoolverlaters voldoen opdat ook zij in het daarop volgende werkjaar van een volledige vakantie met volledig vakantiegeld kunnen genieten?

Toepassingsvragen

  1. Verliezen uw ouders hun recht op kinderbijslag indien jij als student arbeid verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst? Leg uit.
  2. Je bent van plan tijdens de eerste twee weken van november naar het buitenland te trekken. Brute pech! Twee dagen voor je vakantie begint, word je geveld door een zware keelontsteking. Je dokter stuurt je voor enkele dagen je bed in. Je vakantietrip kan je wel vergeten, maar vallen ook je vakantiedagen in het water? Leg dit uit!
  3. Een bediende heeft in het vakantiedienstjaar 1998, 10 maanden en 14 dagen gewerkt, is 14 dagen ziek geweest en heeft 1 maand vakantie genomen. Zijn brutowedde bedraagt 65.500 BEF. Bereken de vakantieduur.

Toepassingsvragen aan de hand van tabellen

  1. Een bediende heeft een proefcontract voor 6 maanden en wordt tijdens die duur ziek. Welk recht heeft de bediende en welk recht heeft de werkgever indien de ziekte 8 dagen duurt?
  2. Gebruik tabel ... uit de bijlage en pas deze tabel toe op volgende vragen inzake de termijnen van toepassing op het proefbeding:

    - Een werkman is aangeworven met een proeftijd van 14 dagen.
    a. De werkgever beëindigt het contract op de 3de dag. Wat is het gevolg?
    b. Mag de werkgever het contract beëindigen de 12de dag? Leg uit.
    c. Na die 14 dagen werkt onze werkman gewoon verder. Wat is het gevolg?

    - Een bediende is aangeworven met een proeftijd van 6 maanden.
    a. De werkgever beëindigt het contract tijdens de 4de maand. Wat is het gevolg?
    b. Mag de werkgever het contract beëindigen tijdens de 1ste maand? Leg uit.
    c. De bediende is tijdens de proefperiode gedurende 2 weken ziek. Welk recht heeft de bediende?
    d. Na die 6 maanden verlengt de werkgever de proefperiode met 6 maanden. Wat is het gevolg?
  3. Gebruik tabel … in bijlage m.b.t. de opzeggingstermijnen bij een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Pas deze tabel toe op volgend geval:
    Een bediende met 7 jaar dienst wenst zich zelfstandig te vestigen.
    a) Welke factoren bepalen de duur van de opzeggingstermijn bij bedienden?
    b) Hoeveel bedraagt zijn opzeg?
    c) Is dit een minimum-/maximumtermijn?
    d) Wanneer begint deze termijn te lopen?
  4. Gebruik tabel ... in bijlage m.b.t. de opzeggingstermijnen bij een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Pas deze tabel toe op volgend geval:
    Een arbeider werkt sinds april 1977 bij de firma Appèl. Plots krijgt hij zijn opzeg.
    a) Hoeveel bedraagt zijn opzeg?
    b) Is dit een minimum-/maximumtermijn? (doorstreep).
    c) Wanneer begint deze termijn te lopen?
  5. Vergelijk de bedragen van de werkloosheidsvergoedingen met die van de Z.I.V.-uitkeringen aan de hand van tabel ... in bijlage. Wat valt je hierbij op? Wat vind je van deze regeling?
  6. Een arbeider met een anciënniteit van 4 jaar wordt door zijn werkgever ontslagen via een deurwaardersexploot op 05.12.1998. Geef de begin- en einddatum van de opzeggingstermijn. Gebruik hiervoor tabel ... in bijlage.
  7. a. Bereken aan de hand van tabel ... in bijlage het bedrag aan kinderbijslag dat volgend gezin maandelijks ontvangt: vader en moeder Jens hebben 3 kinderen, Marie, Louise en Charlotte. De jongedames zijn respectievelijk 3, 7 en 15 jaar oud.
    b. Hoeveel zou dit gezin aan kindergeld ontvangen indien een van beide ouders overleden was?
  8. Een arbeider werd aangeworven voor 1 jaar. De werkgever stelt zonder dringende reden een einde aan de overeenkomst na 9 maanden. Bepaal aan de hand van tabel ... in bijlage hoeveel de vergoeding bedraagt die de werkgever moet betalen.
  9. Welke factoren bepalen de duur van de opzeggingstermijnen bij bedienden? (aan de hand van tabel)

Toepassing op basis van wetteksten

  1. Beantwoord volgende vragen nadat je de bijgevoegde wetteksten hebt doorgenomen.
    a. Kan een 17-jarige zelf een voltijdse arbeidsovereenkomst sluiten?
    b. Kan een werkgever rechtsgeldig het loon betalen in handen van een 16-jarige zonder tussenkomst van diens ouders? Kunnen de ouders zich daartegen verzetten? Op wie kan de 16-jarige een beroep doen om zijn loon zelf te kunnen ontvangen en beheren?

    art. 43: De minderjarige werknemer is, met uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging van zijn vader of moeder of van zijn voogd, rechtsbekwaam een arbeidsovereenkomst te sluiten en te beëindigen. Bij ontstentenis van die machtiging kan de jeugdrechtbank die verlenen op verzoek van het openbaar ministerie of van een familielid. De vader, de moeder of de voogd worden vooraf gehoord of opgeroepen.

    art. 44: De werkgever of de derde die het loon eventueel is verschuldigd, stelt de minderjarige op geldige wijze zijn loon ter hand, tenzij verzet is betekend door de vader, de moeder of de voogd van de minderjarige.

    art. 45: Indien het belang van de minderjarige dit vordert, kan de jeugdrechtbank op verzoek van het openbaar ministerie of een lid van de familie, de minderjarige machtigen het loon van zijn arbeid te ontvangen en er geheel of gedeeltelijk over te beschikken of voor hem een te alle tijden afzetbare bijzondere voogd aanstellen, gelast over dit loon te beschikken voor de behoeften van de onmondige. De vader, de moeder of de voogd worden vooraf gehoord of opgeroepen.

    art. 46: Onverminderd het bepaalde in art. 43 kan de rechter die bevoegd is om kennis te nemen van de geschillen betreffende de in deze wet bedoelde overeenkomsten, een voogd ad hoc aanstellen om de afwezige of verhinderde voogd in het geding te vervangen.

    art. 46 bis: De bepalingen van dit hoofdstuk zijn ook van toepassing op de andere minderjarige werknemers dan die welke in de wet beoogd zijn.

  2. a. Kan een werkman nog een vordering instellen voor achterstallig loon, 2 jaar nadat het contract beëindigd werd? Motiveer.
    b. Kan een werknemer die nog in dienst is, een vordering instellen voor achterstallig vakantiegeld van 2 jaar geleden? Leg uit.(Bijlage wetteksten)
  3. Een werkman biedt zich aan op het werk, maar kan het werk niet beginnen:
    1) omdat de toegang tot de fabriek afgesloten was door stakers;
    2) omdat de grondstoffenvoorraad uitgeput is.
    Heeft hij recht op loon voor die dag? Motiveer uw antwoord?
    (bijlage: wettekst)
  4. a. Waarom wordt een proefbeding gemaakt?
    b. Aan welke vormvereisten moet het maken van een proefbeding voldoen om geldig te zijn?
    (Bijlage wetteksten)

Meerkeuzevragen

  1. Welk van onderstaande beweringen is juist? (Omcirkel de letter)

    1) De arbeidsovereenkomst is een consensueel contract. Dit betekent dat:
    a. de arbeidsovereenkomst kan bewezen worden met getuigen
    b. de arbeidsovereenkomst aan welbepaalde vormvoorwaarden moet voldoen
    c. de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig bestaat vanaf het ogenblik dat de partijen de eenvoudige toestemming geven
    d. hoe de toestemming ook gegeven wordt, er toch een schriftelijk contract vereist is.
  2. a. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt gesloten tot aan de pensioenleeftijd
    b. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan niet worden beëindigd door de werkgever zonder toestemming van de werknemer
    c. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan steeds worden beëindigd door de werknemer
    d. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet schriftelijk worden gesloten.
  3. Zoek de foutieve beweringen en verbeter ze.
    1. Els is op 30 juni afgestudeerd. Aangezien zij beginnen werken is voor 1 november (van hetzelfde jaar) heeft zij recht op evenveel vakantiedagen dan haar collega's die vorig jaar een volledig jaar hebben gewerkt.
    2. Op het gewaarborgd loon van de zieke arbeider worden RSZ-afhoudingen ingehouden.
    3. De werkgever is verplicht zich aan te sluiten bij een sociaal secretariaat.
    4. Maggy is een jonge vrouw die op zelfstandige basis een winkel uitbaat. Zij heeft recht op een moederschapsuitkering na de bevalling van haar eerste kindje.
    5. Een student die weekendwerk verricht is slechts gedeeltelijk onderworpen aan de sociale zekerheidsbijdragen.
    6. In de WIS-databank van de VDAB kan je als werkzoekende alle vacatures (die gekend zijn bij de VDAB van uw gemeente) raadplegen.
    7. Een zelfstandige kan zichzelf, zonder verplichting, aansluiten bij een sociale verzekeringskas.
    8. De werkgever die geen RSZ-afhoudingen heeft ingehouden op het loon van de werknemer kan deze bij een volgende uitbetaling in mindering brengen.
    9. Een bediende in moederschapsverlof heeft de eerste maand recht op gewaarborgd loon van de werkgever.
    10. Op het vakantiegeld van bedienden worden RSZ-afhoudingen ingehouden.
  4. Op welke manier(en) kan een werkgever een einde stellen aan een arbeidsovereenkomst?
    a. mondeling
    b. door een dubbel van de opzeggingsbrief te laten ondertekenen door de werknemer
    c. bij gewone brief
    d. door een aangetekende brief
    e. alle vorige antwoorden zijn juist.

Gemengde vragen

  1. In de 19e eeuw bestond er een hevige machtsstrijd tussen werkgevers en werknemers. Deze machtsstrijd, die in die periode gevoerd werd d.m.v. stakingen en afdankingen, heeft zich geleidelijk verlegd naar de onderhandelingstafel, waar beide partijen door gesprekken tot een wederzijds akkoord trachten te komen.
    a. Geef een omschrijving van het begrip sociale partner.
    b. Het sociaal overleg is in ons opgebouwd volgens een pyramidestructuur. Geef de niveaus en de verschillende overlegorganen waarbinnen dit sociaal overleg verloopt.
    c. Welke bevoegdheden heeft de ondernemingsraad? Leg uit.
  2. Een arbeidsovereenkomst kan geschorst worden.
    a. Geef een omschrijving van schorsing van de arbeidsovereenkomst.
    b. Een arbeidsovereenkomst kan geschorst worden omwille van een dwingende reden. Leg uit en licht toe met twee (concrete) voorbeelden.
    c. Een arbeidsovereenkomst kan geschorst worden omwille van klein verlet. Leg uit en licht toe met twee (concrete) voorbeelden.
  3. Elke werknemer die door een onderneming in dienst wordt genomen, komt in een individuele contractuele relatie met zijn werkgever te staan. Een gedeelte van de arbeidsvoorwaarden wordt ook bepaald door de CAO.
    a. Geef een omschrijving van het begrip individuele arbeidsovereenkomst.
    b. Geef de indeling van de arbeidsovereenkomsten volgens de tijdsbepaling, met telkens de belangrijkste kenmerken.
    c. Waarvoor staat het letterwoord CAO?
    d. Op welke onderwerpen kunnen CAO's betrekking hebben? Geef 3 voorbeelden van specifieke maatregelen die kunnen worden vastgelegd in een CAO.
    e. Voor welke ondernemingen kan een CAO van toepassing zijn?
  4. a. Welke inhoudingen mogen op het loon worden toegepast door de werkgever?
    b. Duid het onderscheid aan tussen 'afstand van' en 'beslag op loon'.
  5. Leg volgende begrippen uit:
    a. proefbeding
    b. carensdag
    c. concurrentiebeding
    d. tegenopzegging
    e. uitzendbureau
    f. afstand van loon
    g. overwerk
    h. CAO

Diverse toepassingen

  1. Wat betekent 'functionele rechtspersoonlijkheid' in volgende uitspraak: De wet heeft aan de vakorganisaties functionele rechtspersoonlijkheid toegekend.
  2. Schema: (arbeiders + bedienden)
    ...
    Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd. Welke factoren bepalen de duur van de opzeggingstermijn?
  3. Eén van de verplichtingen van de werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst is het overhandigen van een document C4 (voorbeeld in bijlage). Wat is het belang van dit document?
  4. Bij een sollicitatie benadrukt de werkgever dat de sollicitant over een banenkaart moet beschikken.
    Wat is de betekenis van de banenkaart ? Wat is het belang hiervan voor de werkgever?

(Bezoek VDAB)

Case study met behulp van documenten

AANKNOPING:

Gerrit Lantsoght is 23 en afgestudeerd als technisch ingenieur. Hij werkt reeds een 8-tal maanden
als bediende met een A.O.van onbepaalde duur voor een bedrijf in lichtarmaturen, In Light nv.
Hij verdient er 750.000 BEF bruto per jaar. Op 25 november verneemt hij dat er een vacature voor
een technisch ingenieur is in een naburig bedrijf, Dian nv. Hij solliciteert en mag er als technicus onder volgende voorwaarden beginnen:
- voltijdse A.O. van onbepaalde duur met beding van proeftijd van 6 maanden, aanvang 15.01.1999.
- een C.A.O. bepaalt het aantal te presteren uren voor een voltijdse betrekking binnen de sector op
39 uren. Boven op de wettelijke feestdagen geniet men van 4 extra vakantiedagen. Het bedrijf is
met jaarlijks verlof van 15.07 tot 05.08
- bedienden werken iedere dag van 8.15 uur tot 12.30 uur en van 13.30 uur tot 17.10 uur in de 5-dagen
week. Enkel op vrijdag werken ze tot 16.35 uur.
- Het bruto maandloon bij aanvang bedraagt 76.000 BEF/maand.

DOCUMENTATIE: gebruik voor het oplossen van onderstaande vragen de A.O. en het A.R. in bijlage.
gebruik eveneens je groene bijlage uit het handboek.

  1. A. Wat moet Gerrit doen vooraleer van werkgever te veranderen? Hoe zal hij dat doen?
    /1
    B. Maak een ontwerptekst die Gerrit hierbij kan helpen (respecteer de wettelijke voorschriften
    en de BIN-normen
    /2
  2. Jij bent de secretaresse/secretaris van de heer Dewulf, directeur van de nv Dian. Hij vraagt je de A.O. en het A.R. voor het nieuwe personeelslid volledig in te vullen volgens bovenstaande gegevens. Doen dus!
    /4
  3. Terwijl je zo bezig bent de documenten in orde te brengen, stel je jezelf de vraag wat het onderscheid tussen beide documenten nu eigenlijk is. Weet je het antwoord?
    /1
  4. De heer Dewulf heeft alweer een ander werkje voor je klaar. Hij vraagt je positief te reageren op een offerte die hij recent ontving voor het herinrichten van zijn kantoor. Welk soort contract zal je nu opmaken? Waarin ligt het voornaamste verschil met de A.O. van onze vriend Gerrit?
    /1
  5. Vooraleer de A.O. en het A.R. te ondertekenen wil Gerrit zich goed informeren over de inhoud van beide documenten. Hij vraagt je bijkomende toelichting omtrent volgende artikels:
    A.O.: art.6: bespreek kort de 5 voornaamste redenen van schorsing (definitie, voorbeeld, gevolg)
    /2.5

    A.R.: art.8: leg kort uit wat wordt verstaan onder:
    a. de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen
    b. voordelen in natura
    /2

    art.11: geef in je eigen woorden een omschrijving van het begrip proefbeding
    /1

    art.14: verklaar: contractbreuk wegens gegronde (= dringende) reden. (definitie, voorbeeld, vormvereisten, gevolgen,…)
    /2
  6. Art.24: Verklaar de begrippen ondernemingsraad en syndicale afvaardiging (definitie, bevoegheden, samenstelling, …). Is er veel verschil tussen beide overlegorganen?
    /3
  7. Gerrit zet een volgende belangrijke stap in zijn leven. Hij treedt in het huwelijk met Ellen. Hij verneemt van collega’s dat hij recht heeft op kort verzuim of klein verlet.
    A. Wat betekent dit begrip?
    B. Op hoeveel dagen heeft Gerrit recht en worden deze dagen vergoed?
    C. Dient Gerrit volgens zijn A.R. hiertoe iets te ondernemen? Leg uit.
    /1.5
  8. Enkele jaren later kondigen Cara en Sara zich aan, de tweelingdochtertjes van Gerrit en Ellen.
    A. Bereken aan de hand van de bijlagen welk bedrag aan gezinsbijslagen de jonge ouders zullen ontvangen. (Wees volledig!)
    /2
    B. Kan Gerrit zelf vrij zijn kinderbijslagfonds kiezen? Leg uit.
    /0.5
    C. Geef de centraliserende en herverdelende werking van de RSZ weer voor de sector van de gezinsbijslagen. Werk met een schema en gebruik uw groene bijlage.
    /1
    D. Aan wie wordt de kinderbijslag maandelijks uitgekeerd?
    /0.5
    E. Zo’n zwangerschap en bevalling kosten handenvol geld. Gelukkig komt ook hier de sociale zekerheid financieel tussen. Bespreek de vergoedingen in de sector van de gezondheidszorgen.
    (Werk hier met een beknopt en duidelijk schema).
    /3
    F. Ellen geniet nu van een welverdiend moederschapsverlof. Wat weet je daar allemaal over?
    Wees volledig in je antwoord.
    /1

    G. Na de eerste fijne maanden samen met de tweeling willen Ellen en Gerrit nog wat meer tijd besteden aan hun oogappels.
    1. Moet Ellen nu haar job opgeven of bestaan er andere mogelijkheden?
    2. En wat met Gerrit? Kan die modelvader een duit in het zakje doen?
    /1
  9. Gerrit krijgt plots klierkoorts. Hij moet minstens 2 weken het bed houden. Ook na die twee weken moet hij nog enkele weken rusten. Alles bij mekaar is Gerrit 2 maanden thuis.
    Wie betaalt wat aan Gerrit gedurende zijn ziekteperiode?
    /2
  10. Willem, een vriend van Gerrit, verliest na 15 jaar zijn werk. Hij heeft 4 kinderen te onderhouden.
    Zijn vrouw werkt deeltijds als arbeidster in een papierhandel. Ten einde raad komt Willem bij
    Gerrit om een antwoord te krijgen op zijn vragen.
    A. Aan welke 7 belangrijke voorwaarden moet Willem voldoen om van een werkloosheidsuitkering
    te kunnen genieten? Leg deze begrippen kort uit en geef een voorbeeld.
    /2
    B. Hoeveel zal de werkloosheidsvergoeding bedragen indien je weet dat Willem vroeger 86.000
    BEF bruto per maand verdiende. Gebruik uw groene bijlage.
    /1
    C. Voor wat staat de afkorting V.D.A.B.? Wat kan zij zoal voor Willem doen? Werk schematisch.
    /2
  11. Willem werd de laatste maanden van zijn loopbaan met grote vertraging uitbetaald. Hij heeft nogal wat problemen om zijn achterstallig loon op te eisen. Wat raad je hem aan te doen?
    Bespreek dit grondig.
    /1

11. De heer Dewulf, directeur van Dial nv en grote baas van Gerrit, komt te overlijden. Stelt dit overlijden een einde aan de A.O. van Gerrit? Leg uit. En hoe zit het dan als Gerrit komt te overlijden?
/2

  

VOLTIJDSE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR BEDIENDEN
VOOR ONBEPAALDE TIJD MET EEN BEDING VAN PROEFTIJD


Tussen..... ,hierna genoemd de werkgever, vertegenwoordigd door .....
en ..... ,hierna genoemd de bediende,
is overeengekomen als volgt:

Art.1 -

De werkgever neemt de bediende in dienst vanaf ..... als ..... .
Evenwel kan de bediende, wanneer de noodzaak zich voordoet, overeenkomstig de bepalingen van het arbeidsreglement, een andere taak vervullen, dan die welke met zijn beroepsbekwaamheid overeenstemt, o.a.: bijstand in de productie-afdeling.

Art.2 -

Alle gegevens betreffende het werkrooster en de arbeidstijd zijn opgenomen in het arbeidsreglement; volgende afwijkingen daaraan worden door de werkgever en de bediende aanvaard: .......

Art.3-

Het bedrag van de bezoldiging is: .......

Art.4 -

De bediende aanvaardt hierbij dat de uitbetaling van het loon over de bank .....
bankrekening nr. ..... , zal geschieden.

Art.5 -

Met het oog op de veiligheid en de gezondheid bij de arbeid, is de bediende verplicht, alle voorzorgsmaatregelen in acht te nemen, voornamelijk de hiernavolgende bepalingen: .......

Art.6 -

De uitvoering van de arbeidsovereenkomst kan alleen worden geschorst om de redenen en volgens de voorschriften bepaald in de Wet van 3 juli 1978 op de Arbeidsovereenkomsten, en in het arbeidsreglement.

Art.7 -

De bepalingen omtrent het beëindigen van de arbeidsovereenkomst en de opzeggingstermijnen staan uitdrukkelijk vermeld in het arbeidsreglement.

Art.8 -

Deze arbeidsovereenkomst voor bedienden wordt gesloten op proef voor de duur van .....
nl. van ..... tot en met .....

Art.9 -

De bediende verklaart hierbij dat hij een afschrift van het arbeidsreglement heeft ontvangen en dat hij alle bepalingen ervan, die op heden van kracht zijn, aanvaardt.

Art.10 -

Bovendien is nog uitdrukkelijk overeengekomen: .......




Deze arbeidsovereenkomst werd opgemaakt in twee exemplaren te ....... , de ........





Handtekening bediende Handtekening werkgever