Checklist taalniveaus

1       Checklist taalniveaus

Wat is het?

Hier vind je de gedetailleerde beschrijving van vijf Europese taalniveaus, uitgewerkt in situaties die in beroepsopleiding en werk voorkomen.

Er zijn vier verschillenden lijsten:

·           Luisteren

·           Lezen

·           Spreken/gesprekken voeren

·           Schrijven

Wat kun je ermee?

Met behulp van deze lijsten kun je:

·           je taalniveau vaststellen als je begint in het mbo;

·           vaststellen wat voor jou belangrijke punten zijn om aan te werken, bijvoorbeeld in een project of als je op stage gaat;

·           aan het eind van een schooljaar of na een stage nagaan op welke punten je vooruitgang geboekt hebt;

·           als je van school afgaat, vaststellen welk eindniveau je bereikt hebt in verschillende talen.

Hoe werk je met de lijsten?

Vul elke keer als je met de lijst werkt, je naam en de datum in.

 

Je kunt de lijsten op de computer invullen en bewaren op een floppy of op de harde schijf. Of je print de ingevulde lijst en bewaart ze in een map. Je kunt de lijst ook eerst printen en dan op papier invullen.

Zelftest

Met een zelftest kun je vaststellen welk niveau van taalvaardigheid je ongeveer bereikt hebt in een vreemde taal. Dat doe je als volgt:

·         Kies voor welke taal en voor welke vaardigheid je de zelftest wilt doen;

·         Neem alleen of met een partner de lijst of lijsten die je gekozen hebt, door;

·         Bedenk of bespreek met je partner of je zou kunnen wat in de linkerkolom staat;

·         Probeer je elke situatie (of een vergelijkbare situatie) en de taal die daarbij hoort, voor te stellen. In de tweede kolom vind je extra uitleg;

·         Zet vervolgens een kruisje op je formulier bij wat voor jou geldt. Kun je het: niet -met moeite- met gemak?

Als je de zelftest doet voor meer talen tegelijk, gebruik dan de beginletters van de talen in plaats van kruisjes.

Als je meer informatie wilt over je taalniveau, doe dan een assessmentopdracht of een toets.

Het niveau waarbij je de meeste keren hebt aangekruist: 'Ik kan dat, maar met moeite' geeft het beste aan waar jij op dit moment bent in de ontwikkeling van je taalvaardigheid. Laat je toetsen op dat niveau. Je leerkracht helpt je verder.

Kun je bij 80% van de situaties invullen: 'Dat kan ik met gemak', dan heb je waarschijnlijk dat taalniveau bereikt. Je kunt het aftekenen in je taalpaspoort. Overleg met je leerkracht.

Leerdoelen vaststellen

Je kunt de lijsten ook gebruiken om vast te stellen wat voor jou belangrijke punten zijn om aan te werken, bijvoorbeeld in een project of als je op stage gaat. Dat doe je als volgt:

·         Neem de lijst die bij jouw taalniveau past.

·         Kijk naar de situaties die je nog niet beheerst of die je moeite kosten.

·         Streep de situaties aan die jij belangrijk vindt voor de komende periode.

·         Als dingen die jij belangrijk vindt, niet in de lijst staan, schrijf ze er dan bij.

Evalueren

Aan het eind van een periode, bijvoorbeeld na een project of een stage, kun je de lijsten gebruiken om te zien of je vooruitgegaan bent.

Dat doe je als volgt:

·         Neem je lijst met 'leerdoelen' van de afgelopen periode erbij.

·         Kijk nog eens naar de situaties waarbij je aangekruist hebt: 'Dat wil ik leren'.

·         Kijk ook naar de situaties die je er zelf bij geschreven hebt.

·         Maak een verslagje voor jezelf. Welke situaties beheers je nu goed genoeg? Welke dingen wil je nog vaker oefenen?

·         Zet de dingen die je nog vaker wilt oefenen, op een nieuwe lijst van leerdoelen.

 

2       Checklist luisteren

 

Naam: ............................................................................................................................................

 

 

Groep: ............................................................................................................................................

 

 

Datum: ...........................................................................................................................................

 

 

Taal/talen: ......................................................................................................................................

A1 Luisteren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik

 

 

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je kunt waarschuwingen begrijpen.

Denk aan uitdrukkingen -in de vreemde taal- als: pas op, dat is heet, niet doen, dat is gevaarlijk enzovoort.

 

 

 

 

2. Iemand legt je uit hoe je op een bepaalde plek moet komen. Begrijp je dat?

Het gaat om een korte en eenvoudige uitleg. Ken je -in de vreemde taal- woorden als rechtdoor, de eerste straat linksaf, bij de stoplichten rechts?

 

 

 

 

3. Stel je voor dat je in de vakantie werkt op een buitenlandse camping. De beheerder legt je uit hoe je iets moet doen of waar je iets neer moet zetten. Begrijp je dat?

De beheerder legt je bijvoor­beeld uit hoe je de wasruimtes moet schoonmaken. Hoe zou hij dat doen? Hij zal langzaam en duidelijk spreken en veel dingen aanwijzen, want hij weet dat jij de taal niet goed verstaat.

 

 

 

 

4. Je leerkracht gebruikt in de les de vreemde taal. Hij/zij legt uit wat je moet doen, stelt vragen, legt dingen uit. Je begrijpt het goed.

Je leerkracht zal rekening houden met jullie taalniveau, dus veel herhalen, dingen op een andere manier zeggen, gebaren gebruiken, langzaam en duidelijk spreken. Je hoeft niet elk woord te verstaan!

 

 

 

 

5. Je bent op vakantie met een buiten­landse leeftijdgenoot. Die vertelt over een popconcert: wanneer het is, en hoeveel het kost. Jij begrijpt genoeg om te beslissen of je wel of niet naar dat concert gaat.

Ken je in de vreemde taal de woorden voor de dagen van de week? En voor 's morgens, 's middags, 's avonds? Weet je hoe je de tijd aangeeft: kwart voor vier, half zes…? Kun je cijfers en prijzen verstaan?

 

 

 

 

6. Je gebruikt op school een nieuw computerprogramma. De instructies worden uitgesproken in de vreemde taal. Je begrijpt genoeg om met het programma te kunnen werken.

Denk eraan dat je steun hebt van wat je ziet op het scherm. En je kunt waarschijnlijk herhalen als je iets niet begrijpt.

 

 

 

 

A2 Luisteren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je werkt in een café of winkel. Als klanten in de vreemde taal iets bestellen of iets willen kopen, begrijp je dat.

Het gaat hier om de normale bestellingen of vragen in het café of de winkel. Niet om bijzondere dingen, of klachten of problemen.

 

 

 

 

2. Je bent op reis in het buiten­land. Er is een ongeluk gebeurd; de weg is geblokkeerd. De politie legt uit hoe je moet het beste verder kunt rijden. Begrijp je dat?

Denk aan de woorden die een agent -in het Nederlands- zou kunnen gebruiken. Ken je dat soort woorden in de vreemde taal?

 

 

 

 

3. Je moet op een buitenlands station een pasfoto laten maken. Iemand legt je uit hoe het apparaat werkt. Begrijp je dat?

Hou er rekening mee dat degene die tegen je praat, ook dingen aanwijst. Dat maakt het makkelijker.

 

 

 

 

4. Van (nieuws)berichten op tv versta je bekende namen en begrijp je de hoofdpunten.

Ga ervan uit dat het beeld je helpt om te begrijpen waar het over gaat.

Weet je hoe belangrijke plaatsnamen en namen die veel in het nieuws voorkomen worden uitgesproken in de vreemde taal?

 

 

 

 

5. Op je school is een groep buitenlandse leerlingen op bezoek. Een van hen vertelt iets over de stad waar ze vandaan komen en over hun school. Begrijp je dat?

De buitenlandse leerling weet dat jullie zijn (of haar) taal nog niet zo goed verstaan en zal dus langzaam en duidelijk praten.

 

 

 

 


 

6. Je moet voor een project bij een buitenlandse VVV vragen wat iets kost. Je belt op, maar je krijgt een telefonische computer die je vertelt welk nummer je moet intoetsen voor de goede afdeling. Begrijp je dat?

Je hoeft niet alles te verstaan, maar je moet goed opletten tot ze iets zeggen over prijzen. En dan moet je het telefoonnummer verstaan en snel opschrijven.

 

 

 

 

7. Je loopt stage in een buitenlands bedrijf. Over de intercom wordt omgeroepen dat er telefoon voor jou is in het kantoortje van je chef. Begrijp je dat?

Je hoort dit soort oproepen vaak in een warenhuis of een supermarkt. Zou jij zo'n oproep kunnen verstaan in de vreemde taal?

 

 

 

 

8. Je kijkt naar een buitenlands tv-station. Toevallig zie je het weerbericht. Begrijp je er voldoende van om te weten of het morgen in dat land mooi of slecht weer wordt, en hoe hoog de temperatuur wordt?

Waarschijnlijk begrijp je al veel door naar de plaatjes te kijken. Maar ken je ook woorden die belangrijk zijn in weerberichten?

 

 

 

 

B1 Luisteren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je loopt stage in een buitenlands bedrijf. 's Ochtends legt de chef uit wat er die dag gedaan moet worden. Hij zegt wat eerst moet en wat later, en hij zegt nog iets over hoe bepaalde dingen gedaan moeten worden. Begrijp je zo'n uitleg?

Ken je deze situatie in het Nederlands? Probeer je voor te stellen of je zo'n verhaal van een chef ook in de vreemde taal zou kunnen begrijpen.

 

 

 

 

2. Jouw bedrijf heeft een machine gekocht in het buitenland. De leverancier stuurt iemand die -in de vreemde taal- uitlegt hoe de machine werkt en bediend moet worden. Begrijp je zo'n uitleg?

Dit kan heel moeilijk zijn. Maar degene die de uitleg geeft zal plaatjes gebruiken -video, dia's- of zijn uitleg geven bij de machine. Dat maakt het makkelijker.

 

 

 

 

3. Je logeert tijdens een uitwisseling bij een buitenlands gastgezin. Terwijl je weg was heeft er iemand voor je gebeld. De gastmoeder vertelt je uitgebreid wie er gebeld heeft en wat die persoon gezegd heeft.

De gastmoeder probeert het goed uit te leggen en gebruikt daarbij erg veel woorden en zinnen. Kun je er toch uithalen wie er gebeld heeft en wat die persoon gezegd heeft?

 

 

 

 

4. Je bent met de auto op reis in het buitenland. Je luistert naar de verkeersinformatie op de radio om te horen of en waar files zijn.

Dit gaat meestal heel snel. Je moet het stukje herkennen wat voor jou belangrijk is, en dat stukje goed begrijpen.

 

 

 

 

5. Je hoort de nieuwsberichten op de radio. Je begrijpt lang niet alles, maar je pikt wel enkele hoofdpunten op.

Denk bij hoofdpunten aan internationaal nieuws, internationale sport­gebeurtenissen, nieuws over bekende persoonlijkheden.

 

 

 

 

6. Je kijkt naar een 'doe-het-zelf-programma op de tv in de vreemde taal. Het gaat over iets wat jou interesseert, wat je zelf ook wel eens doet. Begrijp je de uitleg in de vreemde taal?

Ga er vanuit dat het programma bedoeld is voor beginnende 'doe het zelvers'. Het is dus niet al te ingewikkeld. Bovendien spreekt de presentator langzaam en duidelijk, omdat hij zijn publiek iets wil uitleggen.

 

 

 

 

7. Je belt naar een buitenlands bedrijf of instelling. Je krijgt een antwoordapparaat waarop staat dat ze gesloten zijn, wanneer ze wel bereikbaar zijn, wie je voor dringende gevallen kunt bellen enzovoort.

Vraag je af of je zo'n bericht snel genoeg zou begrijpen om onder het luisteren tijden en telefoonnummers op te schrijven.

 

 

 

 

8. Bij je buitenlandse stagebedrijf is elke week een teamoverleg. Zou je kunnen begrijpen wat de teamleden vertellen over het werk van de afgelopen week?

Het gaat hier om zaken waar jij iets van af weet. Je zit immers zelf ook in het team.

 

 

 

 

9. Tijdens een uitwisseling werk je met een groep buitenlandse leerlingen aan een project. Er is een probleem ontstaan; de plannen moeten worden bijgesteld. Een van de buitenlandse leerlingen legt uit wat er aan de hand is. Zou je zo'n uitleg kunnen begrijpen?

Bedenk eens hoe je een probleem in het Nederlands zou uitleggen. Bedenk dan of je een soortgelijke uitleg in de vreemde taal zou kunnen begrijpen. De leerling die het probleem uitlegt zal z'n best doen om duidelijk en niet al te snel te praten.

 

 

 

 

10. Bij je buitenlandse stagebedrijf komt iemand een praatje houden over 'veiligheid op de werkvloer'. Zou je zo'n praatje kunnen volgen?

Ken je woorden en uitdrukkingen die met 'veiligheid' te maken hebben? Zou de voorlichter een video, dia's of tekeningen op een flap-over gebruiken?

 

 

 

 

B2 Luisteren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

 

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Als je 's ochtends op je werk komt, staat er een verhaal van een buitenlandse klant op het antwoordapparaat. De klant heeft een brochure van jullie bedrijf gezien. Hij vraagt informatie over een aantal zaken en hij wil ook wat dingen toegestuurd krijgen. Jij begrijpt voldoende om op de vragen van de klant te kunnen reageren.

Het is een lang en niet zo duidelijk bericht. Het is een bandje; moeilijk te verstaan. Je hoeft niet alles te verstaan. Je moet achterhalen wat de klant precies wil weten of hebben. Je kunt het bandje natuurlijk terugdraaien als je iets belangrijks niet verstaat.

 

 

 

 

2. Je bent op bezoek bij een buitenlands bedrijf. De chef van de werkvloer vertelt een uitgebreid verhaal over het productieproces Jij begrijpt voldoende om je een beeld te vormen van hoe ze in dat bedrijf werken.

Het verhaal van de chef is wat ingewikkeld en niet goed gestructureerd.

Maar jij weet van het onderwerp wel wat af; je kent vergelijkbare bedrijven.

 

 

 

 

3. Je bent op een buitenlands station. Er is een treinstoring en er worden herhaaldelijk berichten omgeroepen over treinen die vertraagd zijn, van een ander perron vertrekken enzovoort. Je kunt voldoende opvangen om te weten wanneer jouw trein vertrekt.

Zulke berichten worden snel gesproken en er is veel achtergrondgeluid. Het gaat erom dat je goed oplet wanneer het over jouw trein gaat.

 

 

 

 

 

4. Je bent tijdens je stage in het buitenland aanwezig bij een werkoverleg in de instelling waar je werkt. Sommige mensen zijn niet tevreden over hoe de zaken daar lopen; andere juist wel. Je begrijpt de stand­punten van de verschillende partijen en je snapt waarom sommige mensen zich boos maken.

Bij zo'n overleg wordt nogal eens door elkaar heen gepraat, of mensen winden zich op. Je hoeft niet elk woord te begrijpen, maar je moet wel goed blijven luisteren om er achter te komen wat de mensen vinden van de gang van zaken.

 

 

 

 

5. Je werkt bij een internationaal bedrijf. Er komt een ingrijpende reorganisatie bij jullie werkeenheid. Een leidinggevende van het moederbedrijf komt -in de vreemde taal- een toespraak houden over de reorganisatie­plannen. Je begrijpt wat de gevolgen zullen zijn voor jouw werk.

Denk je dat de leidinggevende duidelijk zal opsommen wat er gaat gebeuren? Of zal hij proberen de zaak zo gunstig mogelijk voor te stellen? Kun je in een lang, en misschien wat wollig verhaal, toch ontdekken waar het eigenlijk om gaat?

 

 

 

 

6. Er is een documentaire op een buitenlands tv station over een technisch onderwerp dat jou erg interesseert. Je kunt het verhaal goed volgen. Ook details begrijp je.

In een documentaire over wetenschappelijk of technisch onderwerp wordt meestal gesproken in een normaal tempo. Er wordt geen dialect gebruikt. Je hebt steun aan de beelden en je kennis van het onderwerp.

 

 

 

 

7. Je volgt op een beurs een presentatie van een deskundige waarin verschillende producten en diensten van bedrijven op jouw vakterrein kritisch worden vergeleken. Je kunt het betoog goed volgen.

Zo'n presentatie is meestal goed opgebouwd. Wel wordt er veel informatie gegeven in korte tijd. Je moet dus heel goed en geconcentreerd luisteren om de argumenten en de conclusies van de spreker te kunnen volgen.

 

 

 

 

C1 Luisteren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. In je bedrijf ben je betrokken bij een internationaal project. Een briefing van de project­leider over werkplanning en budgettering kun je goed volgen.

Het gaat over een groot project waar verschillende vakgebieden bij betrokken zijn. Je moet dus ook luisteren naar informatie over zaken waar je niet zoveel van af weet.

 

 

 

 

2. Een buitenlandse specialist geeft je een toelichting op de producten van zijn bedrijf. Hij gaat uitgebreid in op allerlei technische specificaties. Je begrijpt voldoende om achteraf vragen te kunnen stellen.

Het onderwerp is je in grote lijnen bekend, maar al die technische details zeker niet. Je kunt om herhaling of extra uitleg vragen als je het niet begrijpt, en je kunt aantekeningen maken.

 

 

 

 

3. Je kunt aankondigingen op luchthavens en bijvoorbeeld in een stadion goed begrijpen, ook als de geluidskwaliteit slecht is.

Veel ruis, veel galm: kun je dan toch nog begrijpen wat er gezegd wordt? Vaak versta je maar een paar woorden en moet je de rest raden.

 

 

 

 

4. Radio- en tv-programma's in de vreemde taal kun je goed volgen, ook als er informele spreektaal gebruikt wordt.

Denk aan populaire programma's die je van de Nederlandse tv kent: veel spreektaal, veel grappen. Zou je zo'n soort programma in een vreemde taal kunnen volgen?

 

 

 

 

 

5. Je woont voor je werk een tijd in het buitenland. In de buurt waar je woont wordt een vergadering gehouden over de aanleg van een nieuwe weg. Daar ga je heen. Je hoort eerst een lezing van iemand van de gemeente, en daarna is er een discussie waarin allerlei mensen aan het woord komen. Je kunt alles met redelijk gemak volgen.

Het onderwerp heeft niets met je werk te maken. Het zal er misschien wat rommelig aan toe gaan, zeker bij de discussie. Mensen praten snel, misschien onduidelijk of met een sterk accent. Je kunt natuurlijk om uitleg of herhaling vragen, als je iets echt niet snapt.

 

 

 

 

6. Jouw bedrijf gaat samen met een buitenlandse partner offerte uitbrengen voor een groot Europees project. Je woont de vergadering bij waarin de offerte inhoudelijk wordt voorbereid. Je kunt de discussie goed volgen en weet waar jouw bedrijf over zal moeten onderhandelen met de partner.

Deelnemers aan zo'n bijeenkomst zullen hun bedoelingen niet altijd expliciet vermelden; het gaat tenslotte om aftasten van wat ieder te bieden heeft. Je moet dus goed kunnen luisteren, vooral naar wat niet zo duidelijk gezegd wordt.

 

 

 

 

7. Je woont in het buitenland de belangrijkste beurs op jouw vakgebied bij. Je kunt daar allerlei vaktechnische presentaties over producten en diensten goed volgen.

Het gaat om veel en vaak zeer gedetailleerde informatie. Zaken op je eigen werkterrein moet je in detail kunnen begrijpen. Bij onderwerpen waar je minder van af weet, moet je de grote lijn en de hoofdpunten kunnen volgen.

 

 

 

 

3       Checklist lezen

 

Naam: ............................................................................................................................................

 

Groep: ............................................................................................................................................

 

Datum: ...........................................................................................................................................

 

 

Taal/talen: ......................................................................................................................................

A1 Lezen

Situatie

Uitleg

Dat kan ik

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je kunt informatie begrijpen in een reclamefolder of op een poster, over bijvoorbeeld tijd, plaats en kosten.

 

Denk aan een aankondiging van een concert of de dagen waarop een winkel zijn uitverkoop begint. Ken je de namen van de maanden, en van de dagen van de week? Begrijp je tijdsaanduidingen (bijvoorbeeld in het Engels: 4 p.m)?

 

 

 

 

2. Als je een formulier in de vreemde taal in moet vullen, herken je de betekenis van de woorden en weet je wat je in moet vullen.

Kun je woorden lezen -in de vreemde taal- als nationaliteit, naam, achternaam, meisjes­naam, plaats van bestemming, geboorteplaats enzovoort?

 

 

 

 

3. Je begrijpt eenvoudige aanwijsborden.

Stel je voor dat je in het buitenland op vakantie bent. Kun je daar opschriften lezen als ‘niet op het gras lopen’; ‘niet parkeren’; ‘rechtdoor’;
’ingang' en 'uitgang'?

 

 

 

 

4. Je wilt in het buitenland een auto of een fiets huren. Je kunt een verhuurbedrijf vinden in de buitenlandse 'Gouden Gids'.

Je moet snel iets kunnen opzoeken. Daarvoor moet je goed overweg kunnen met alfabetische lijsten, en snel zien of op een bepaalde bladzijde staat wat jij zoekt.

 

 

 

 

5. Je kunt heel eenvoudige gebruiksaanwijzingen begrijpen als zij voorzien zijn van duidelijke illustraties.

Denk aan maten in kleding, wasinstructies, woorden als ‘aan/uit’, ‘gevaarlijk’, ‘ niet gebruiken met’, ‘giftig’ enzovoort.

 

 

 

 

6. Als iemand je een ansicht-, kerst- of verjaarskaart stuurt, begrijp je een korte tekst of groet.

Denk aan wat je zelf in je eigen taal op een wenskaart schrijft. Kun je zo'n tekst in de vreemde taal begrijpen?

 

 

 

 

7. Je kunt een menu in een wegrestaurant begrijpen.

Stel je voor, je bent in het buitenland. Er is geen Nederlands menu. Kun je uit de voeten met een menu in de vreemde taal?

 

 

 

 

A2 Lezen

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je werkt op een bedrijf dat onderdelen levert aan buitenlandse klanten. Je kunt een orderformulier begrijpen en de bestelling samenstellen.

Het gaat hier om de normale bestellingen die je in je werk regelmatig tegenkomt.

 

 

 

 

2. Je bent voor je stage drie maanden in het buitenland. In je kamer staat alleen een tafel met een paar hoge stoelen. Je wilt er graag een bank bij. In het plaatselijke krantje zoek je bij 'te koop aangeboden' naar een advertentie voor een bank.

Je moet eerst de goede rubriek vinden, en dan moet je snel zoeken naar een advertentie waarin staat wat jij nodig hebt. De advertenties zullen heel kort zijn, met afkortingen erin.

 

 

 

 

3. Je moet op een buitenlands station een ticket kopen uit een machine. Je kunt de instructies volgen.

Hou er rekening mee dat er vaak illustraties zijn als ondersteuning van de tekst.

 

 

 

 

4. Op je werk hangt een memo in de vreemde taal over het aanvragen van verlofdagen en je ziek melden. Je leest de memo en begrijpt hoe je dat moet doen.

Het gaat hier over eenvoudige instructies en niet over lange stukken tekst met uitleg.

 

 

 

 

5. Je werkt met een machine waar alleen een handleiding in een vreemde taal bij is. Er is een storing. Jij kunt in de handleiding de plek vinden waar die storing, met behulp van plaatjes, uitgelegd wordt.

Hier is belangrijk dat je niet de hele handleiding gaat lezen. Je moet snel de inhoudsopgave bekijken en een hoofdstuk doorbladeren om de juiste plek te vinden.

 

 

 

 

6. Er komt een fax binnen van een buitenlandse klant die graag informatie wil over een product van jouw bedrijf. Jij begrijpt genoeg van de fax om de gevraagde informatie op te kunnen sturen.

Je moet uit de fax kunnen halen waar de klant informatie over wil hebben. Meer hoeft niet.

 

 

 

 

7. Je school maakt een reisje naar het buitenland. Jij kunt een eenvoudig dagprogramma samenstellen op basis van informatie die je gelezen hebt in toeristische folders.

Informatie in toeristenfolders is vaak eenvoudig, kort en bondig. Het gaat over openingstijden, prijzen, groepskorting en wat er te zien is.

 

 

 

 

8. Stel je voor dat je in het buitenland verblijft. Je wilt naar de bioscoop. Je leest een korte inhoudsbeschrijving van een film die draait. Kun je die begrijpen?

De beschrijving is kort en bondig. Het is geschreven in alledaagse taal. Het onderwerp is je bekend.

 

 

 

 

9. Er komt een folder binnen in de vreemde taal over een vakbeurs. Jouw baas wil daarheen. Jij leest de folder en zet in een memo de belangrijkste informatie voor je baas op een rijtje.

Je hoeft de tekst niet letterlijk te vertalen. Je moet de hoofdpunten eruit halen: waar is het, op welke datum, welke belangrijke firma's komen er, wat kost het, hoe moet je je aanmelden?

 

 

 

 

 B1 Lezen

 

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je loopt stage in een buitenlands bedrijf. 's Ochtends ligt er een briefje van de chef van de nachtdienst. Hij legt uit welke taken zijn ploeg in de nacht heeft gedaan. Jij moet enkele taken afmaken. Begrijp je zo’n briefje?

Denk aan werkbriefjes die je in het Nederlands moet volgen. Zou je die in een vreemde taal kunnen volgen?

 

 

 

 

2. Jouw bedrijf heeft nieuwe kantoormeubelen (of nieuwe machines) gekocht. De monteerinstructies zijn in de vreemde taal. Zou je de instructies kunnen opvolgen?

Vaak zijn handleidingen en instructieboeken voorzien van illustraties. Het is ook goed mogelijk dat je vergelijkbare meubels of machines al kent. Dat maakt het makkelijker.

 

 

 

 

3. Tijdens een verblijf in het buitenland krijg je last van je darmen. Je haalt medicijnen bij de apotheek. Bij de medicijnen zit een bijsluiter met informatie voor de gebruiker. Begrijp je de belangrijkste zaken van zo'n bijsluiter?

Je hoeft lang niet alles te begrijpen, maar wel wanner je de pillen moet innemen, hoeveel per dag, wat je moet doen als de klachten niet overgaan enzovoort. Weet je hoe zo'n bijsluiter er in het Nederlands uit ziet? Probeer je voor te stellen wat je zou begrijpen van zo'n tekst in een vreemde taal.

 

 

 

 

4. Je afdeling heeft een klachtenbrief gekregen in de vreemde taal over het niet nakomen van een aantal leveringsafspraken. Je baas heeft gevraagd of je de inhoud van de brief globaal wil lezen en samenvatten. Kun je dat?

Het gaat erom de belangrijkste klachten eruit te halen en door te geven aan je baas. Je hoeft de brief niet perfect te vertalen.

 

 

 

 

5. Je krijgt een lange e-mail van iemand met wie je veel hebt samengewerkt tijdens een internationaal project van jullie school. Je begrijpt voldoende om een kort bericht terug te schrijven waarin je reageert op wat er in de e-mail stond.

Je hoeft niet alle details te begrijpen, maar wel genoeg om iets aardigs terug te kunnen schrijven.

 

 

 

 

6. Je loopt stage en je baas heeft je gevraagd of je de informatiebrochures van twee producten wilt lezen en de belangrijkste verschillen wilt samenvatten. De brochures zijn in de vreemde taal geschreven. Kun je dat?

De producten en hun werking ken je al. Het gaat erom of je de informatie in de vreemde taal kunt begrijpen en verwerken.

 

 

 

 

7. Je wilt solliciteren naar een buitenlands bedrijf dat een vestiging in Nederland heeft. De advertentie, waarin staat hoe dat gaat en wat je precies moet doen, is in de vreemde taal geschreven. Kun je de informatie begrijpen?

De informatie betreft zaken als inhoud, eisen, vooropleiding en ervaring en de procedure die je moet volgen.

 

 

 

 

8. Je bedrijft exporteert producten naar het buitenland. De exportformulieren zijn in de vreemde taal opgesteld. Kun je de formulieren begrijpen?

Soms is officiële taal moeilijk te begrijpen. Het gaat er voor jou om de belangrijkste punten eruit te halen en te weten welke informatie waar geschreven moet worden.

 

 

 

 

9. Bij je buitenlandse stagebedrijf is er elke week een werkoverleg. Er wordt een schriftelijk verslag gemaakt van de bijeenkomst met de belangrijkste afspraken. Kun je het verslag begrijpen?

Het gaat hier om zaken waar jij iets van af weet. Je zit immers zelf ook in het team.

 

 

 

 

10. Je hebt een demonstratie gevolgd van een nieuw product of computerprogramma of een nieuwe machine. Je neemt wat achtergrondinformatie mee. De informatie is in de vreemde taal. Kun je de belangrijkste punten uit de informatie halen en uitleggen aan collega's die niet bij de demonstratie waren?

Je hebt al een demonstratie gehad, dus je weet er iets vanaf. Het onderwerp is dus bekend.

 

 

 

 

10. Je ontvangt een brief met onjuiste informatie: afspraken die gemaakt zijn voor een buitenlandse reis van je baas kloppen niet. Je ziet waar de fouten zitten en je kunt erop reageren.

Het gaat hier om nauwkeurigheid, om het controleren van tijd, plaats en gemaakte afspraken. Je moet dus de brief in zijn geheel kunnen begrijpen en de details goed controleren.

 

 

 

 

B2 Lezen

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je bent bezig een nieuwe machine te installeren of voor het eerst te gebruiken. Je kunt de instructies in het handboek die in de vreemde taal staan, begrijpen en gebruiken als hulpmiddel.

Het gaat hier om het veilig inwerkingstellen van machines met de hulp van een niet in het Nederlands geschreven hand - of instructieboek. De teksten en instructies zijn vaak ingewikkeld maar gaan over jouw vakgebied. Je kunt voor een nauwkeurig begrip een woordenboek gebruiken.

 

 

 

 

 2. Je behandelt veel correspondentie op je werk. Je krijgt een gecompliceerde klachtenbrief in de vreemde taal. Daar moet je een passend antwoord op schrijven.

Hier gaat het om een klachtenbrief waarin staat dat de klant verschillende klachten heeft. De tekst is ingewikkeld en de klachten moeten goed uit elkaar gehaald worden.

 

 

 

 

3. Je studeert of werkt in een branche waar de veranderingen en vernieuwingen snel gaan. Je kunt met gemak vakliteratuur in de vreemde taal lezen en begrijpen.

Het gaat hier om vakliteratuur die je vindt in rapporten, tijdschriften en bedrijfs­brochures. Je kunt zonodig moeilijke woorden opzoeken in een woordenboek.

 

 

 

 

4. Je wilt je studie afmaken in het buitenland. Je hebt gedetailleerde informatie van diverse hogescholen op aanvraag gekregen. Je kunt de informatie begrijpen en vergelijken en een keuze maken.

Denk aan voorlichtings- en wervingsmateriaal, materiaal over subsidiemogelijkheden, over scholings- en opleidingsmogelijkheden, over verblijfszaken. Je moet de relevante details in deze vaak lange en ingewikkelde teksten kunnen vinden.

 

 

 

 

5. Er is een in de vreemde taal opgestelde offerte en contract binnengekomen. Je baas heeft gevraagd of je mee wilt lezen om eventuele valkuilen op te sporen. Het is een moeilijke tekst. Maar je begrijpt er genoeg van om te zien dat er een paar onduidelijke punten in zitten. Daarover moet je baas beslist een deskundige raadplegen.

Het gaat hier om diensten op jou vakgebied die jezelf vaak uitvoert. Inhoudelijke kennis heb je dus. Je kunt eventueel een woordenboek gebruiken voor een nauwkeurig begrip van de tekst.

 

 

 

 

6. Je loopt stage of je werkt in het buitenland. Je kunt de formele verslagen van je afdeling begrijpen.

Op dit niveau moet je de formele berichten en verslagen van een bedrijf kunnen begrijpen, zeker als het onderwerp je bekend is.

 

 

 

 

7. Je baas is een interessant artikel in een studieboek in de vreemde taal tegengekomen. Zijn beheersing van de taal is matig. Hij vraagt jou of je een korte samenvatting wilt geven.

Kun je een studieboek op je eigen vakterrein begrijpen en kun je je kennis aan een ander door geven? Je kunt waar nodig een woordenboek gebruiken.

 

 

 

 

8. Je moet een literatuur­onderzoek doen over een onderwerp dat jou bekend is. De informatie staat in de vreemde taal. Je kunt snel een goede selectie te maken uit de artikelen die je hebt gevonden

Hier gaat het niet om exacte details. De vraag is of je snel en doeltreffend vakliteratuur kunt bekijken op relevantie voor jouw onderzoek.

 

 

 

 

9. Jouw bedrijf is betrokken bij een samenwerkingsverband met andere bedrijven uit de EU. Je kunt de meeste correspondentie, verslagen en vakinformatie in de vreemde taal begrijpen.

Op jouw vakterrein kun je de meeste geschreven tekst begrijpen. Je kunt snel relevante details selecteren. Je weet ook wat je niet begrijpt en je kunt de hulp van deskundigen inroepen.

 

 

 

 

10. Je baas heeft een belangrijke vergadering in het buitenland. Hij vraagt jou om een aantal interessante artikelen over dat land te verzamelen. Het gaat hem om informatie over achtergronden, over cultuur, politiek enzovoort. Hij wil gesprekstof hebben voor de contacten met zijn zaken­partners. De meeste informatie is in de vreemde taal.

Je kunt snel een aantal artikelen over algemene onderwerpen verzamelen en doorlezen. Je kunt de meest interessante artikelen snel selecteren om die goed te bestuderen.

 

 

 

 


C1 Lezen

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

 

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je moet je vakkennis op peil houden door vakliteratuur, studieboeken en de vakpers in de vreemde taal bij te houden

De vraag is of je met gemak, snel en zonder een woordenboek vakinformatie uit verschillende bronnen kunt selecteren en lezen. Je kunt wat je gelezen hebt, vergelijken en verwerken.

 

 

 

 

2. Je werkt voor een internationale firma of je studeert op een internationale opleiding. Op je werk of je opleiding kun je alle geschreven tekst met gemak lezen, begrijpen en verwerken.

Het maakt voor jou niet uit of de teksten in je moedertaal of in de vreemde taal geschreven zijn. Je bent je eigenlijk niet bewust in welke taal je een tekst leest.

 

 

 

 

3. Bij jou op het werk komen regelmatig contracten in de vreemde taal binnen. Je kunt die met gemak lezen en controleren, en fouten of problemen aan je collega's doorgeven.

 Je bent geen advocaat, maar jouw beheersing van de taal is zo goed dat je moeilijke teksten kunt controleren.

 

 

 

 

4. Op je werk moeten nieuwe machines aangeschaft worden. Je kunt gedetailleerde specificaties van verschillende machines lezen en vergelijken en op grond van je vergelijking een voorkeur uitspreken.

Hier gaat het om nuances in de specificaties. Je kunt teksten op details vergelijken om een voorkeur uit te spreken.

 

 

 

 

5. Jouw firma is bezig nieuwe potentiële buitenlandse klanten te werven. Je kunt de jaarverslagen vergelijken om hun marktpositie en bedrijfs­prestaties te bepalen. Je maakt een samenvatting voor het management.

Het gaat om meer dan alleen lezen. Het gaat ook om het vergelijken, inschatten en analyseren van teksten.

 

 

 

 

 

4       Checklist Spreken/gesprekken voeren

 

 

Naam: ............................................................................................................................................

 

 

Groep: ............................................................................................................................................

 

 

Datum: ...........................................................................................................................................

 

 

Taal/talen: ......................................................................................................................................

 

 


A1 Spreken/gesprekken voeren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Als je iets nodig hebt, kun je iemand om iets vragen. Je kunt vragen waar iets ligt of hoe iets gedaan moet worden.

Desnoods spreek je langzaam, met herhalingen. Je hoeft ook geen ingewikkelde zinnen te maken. Het gaat er maar om dat je je vraag duidelijk maakt.

 

 

 

 

2. Je kunt mensen voor iets waarschuwen. Je kunt hulp inroepen als dat nodig is.

Het gaat om uitdrukkingen als

‘pas op, voorzichtig, kijk uit’ en ‘help’ (of: ‘kun je me even helpen’)

 

 

 

 

3. Een groepje buitenlandse gasten bezoekt je school of bedrijf. Je kunt hen vragen hun namen en adressen te spellen en hen jouw naam en adres doorgeven.

 Je kunt dus de letters en cijfers die ze noemen verstaan en zelf ook noemen. Dat geldt ook voor telefoonnummers.

 

 

 

 

4. In een gesprek met een buitenlander kun je aangeven dat je iets niet begrepen hebt of vragen of hij het nog eens wil herhalen of langzamer wil spreken.

Het gaat dus om vaste uitdrukkingen als: ‘neem me niet kwalijk, kun je dat nog eens zeggen, ik heb het niet goed verstaan, kun je misschien wat langzamer spreken’

 

 

 

 

5. Je kunt vragen van een buitenlandse klant over tijden, data en prijzen verstaan en hem daarover eenvoudige informatie geven.

Je weet dus hoe je in de vreemde taal de tijd zegt en de datum: je kent de dagen van de week en de maanden van het jaar. Je kent ook de termen voor het buitenlandse geld.

 

 

 

 

6. Als de klant een bestelling doet, kun je met hem spreken over referentienummers en aantallen of hoeveelheden.

Je kent dus niet alleen de cijfers in de vreemde taal, maar je weet ook hoe je grotere getallen uit moet spreken.

 

 

 

 

7. Bij een ontmoeting in de vreemde taal kun je iemand aanspreken en begroeten, je voorstellen en een eenvoudig gesprek voeren.

Je kent de vormen die daarbij horen, zoals ‘hoe maakt u het..’, ‘neemt u me niet kwalijk..’,’ mijn naam is…’ en je kunt praten (vragen verstaan en antwoord geven) over dingen als waar je vandaan komt, of je een vaste vriend of vriendin hebt, je hobby’s en andere bekende onderwerpen, zo lang er langzaam en duidelijk wordt gesproken.

 

 

 

 

Monologen/presentaties

8. Bij bezoek van buitenlandse gasten aan je school of bedrijf kun je je voorstellen en in het kort iets vertellen over je werkplek.

 Je kent de uitdrukkingen om jezelf voor te stellen en kunt in losse woorden en korte, eenvoudige zinnen heel eenvoudige informatie geven over het werk dat je doet.

 

 

 

 

A2 Spreken/gesprekken voeren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1.Je loopt stage in een buitenlands bedrijf. Je kunt met twee of drie mensen overleggen hoe je een bepaalde taak gaat uitvoeren.

Je kunt eenvoudige zinnen gebruiken en je collega’s houden er rekening mee dat je hun taal niet goed spreekt.

 

 

 

 

2. Tijdens je buitenlandse stage kun je boodschappen doorgeven aan collega’s en leidinggevenden.

Je kunt ook melden dat een apparaat kapot is of een voorraad op, en je kunt ook vrij vragen, je ziek melden, een dienst ruilen enzovoort.

 

 

 

 

3. Voor het bedrijf waar je werkt kun je iets bestellen of een bestelling opnemen.

Je kunt daarbij eenvoudige zinnen gebruiken waarin misschien nog grammaticale fouten zitten. Je vindt de woorden voor de bestellingen waarschijnlijk niet moeilijk, omdat het onderwerp je bekend is.

 

 

 

 

4. Je kunt eenvoudige telefoongesprekken voeren.

Je kunt een bedrijf of instantie opbellen, zeggen wie je bent en wie je wilt spreken en zo nodig een bericht achterlaten (of inspreken op een antwoord­apparaat) en/of zeggen dat je terug zult bellen.

Je weet wat je moet zeggen als je verkeerd verbonden bent.

 

 

 

 

5. Je kunt een buitenlandse klant aan een balie en over de telefoon informeren over een tijdstip, een datum, prijzen, hoeveelheden enzovoort.

Je kunt getallen en data verstaan en zelf noemen, ook als je iemand aan de telefoon hebt.

 

 

 

 

6. In een winkel kun je zeggen wat je nodig hebt en vragen naar prijzen.

Het gaat ook om instellingen als het postkantoor, een bank of een autoverhuurbedrijf.

 

 

 

 

7. Met buitenlandse collega’s of kennissen kun je eenvoudige gesprekken voeren over alledaagse dingen.

Je kunt praten over het weekend, over wat ze op het werk of in hun vrije tijd doen. Je kunt ook afspraken maken en praten over wat je samen kunt gaan doen, waarbij je kunt zeggen wat je leuk vindt, hoe je je voelt en dergelijke.

 

 

 

 

 

8.Als je zelfstandig in het buitenland bent, kun je je redden bij het regelen van je verblijf, vervoer, maaltijden enzovoort.

Je kunt bijvoorbeeld in een toeristenbureau op een eenvoudige manier informatie vragen over beziens­waardigheden en vervoer, m.b.v. een plattegrond de weg vragen, kaartjes kopen, een kamer reserveren, een maaltijd bestellen enzovoort.

 

 

 

 

Monologen/presentaties

 

 

 

 

 

9.Een groepje buitenlanders krijgt een rondleiding op je werk. Je moet een korte presentatie geven over het bedrijf of de afdeling waar je werkt.

De presentatie gaat vooral over eenvoudige standaard­informatie van het bedrijf; je kunt er ook dia’s of ander beeldmateriaal bij gebruiken. Het praatje is kort en direct. Je hebt vooraf kunnen oefenen.

 

 

 

 

10. Na je presentatie worden enkele eenvoudige vragen gesteld. Die kun je beantwoorden.

Het kan zijn dat je aarzelt om de juiste formulering in de vreemde taal te vinden en dat je wat hulp nodig hebt.

 

 

 

 

11. Je werkt bij een bedrijf dat veel aan buitenlandse klanten levert. Je kunt als iemand om informatie vraagt vertellen welke service wordt geleverd bij jullie producten.

Het gaat om de standaard­service bij enkele producten. De informatie die je moet geven is je bekend. Je kunt korte, eenvoudige zinnen gebruiken

 

 

 

 

B1 Spreken/gesprekken voeren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1.Als je in het buitenland wilt solliciteren, kun je in de vreemde taal een eenvoudig sollicitatiegesprek voeren.

Je kunt antwoord geven op vragen naar feitelijke informatie en op een eenvoudige manier( de zinnen mogen eenvoudig en kort zijn) aangeven waarom de baan aantrekkelijk voor je is.

 

 

 

 

2.In het bedrijf waar je werkt moet je klanten aan de balie of aan de telefoon te woord staan. Je kunt daarbij algemene informatie geven over producten en diensten van het bedrijf.

Je kunt de klant bijvoorbeeld informeren over prijzen en algemene leverings­voorwaarden. Je kunt bestellingen zelfstandig afhandelen zolang het om routinebestellingen gaat.

Je kunt de klant in eenvoudige zinnen te woord staan en bent ook in staat je eigen mening te geven. Niet te gecompliceerde vragen kun je beantwoorden, maar misschien moet je soms om herhaling van bepaalde woorden vragen om de klant te verstaan.

 

 

 

 

3.In het bedrijf waar je werkt hoort het tot je taken om af en toe bestellingen bij buitenlandse firma’s te doen. Je kunt de informatie die daarbij hoort op betrouwbare wijze opvragen en doorgeven.

Bij het opvragen en doorgeven van gegevens over prijzen, data, referentienummers, hoeveelheden enzovoort maak je daarin geen fouten. Ook de productomschrijving van een jouw bekend product of apparaat breng je goed over. Je bent dus op de hoogte van de termen die daarbij gebruikt worden.

 

 

 

 

4. Als je in contact komt met buitenlandse bezoekers van je bedrijf of school kun je spontaan meedoen aan informele gesprekken over onderwerpen die je bekend zijn.

Ook al maak je nog veel grammaticale fouten en aarzel je vaak om naar woorden te zoeken, je kunt toch met eenvoudige woorden meepraten over alledaagse zaken als het weer, een sportwedstrijd of tv-programma, films, muziek enzovoort.

 

 

 

 

5. Je werkt in een hotel of restaurant. Daar kun je een telefonische reservering voor een kamer of een tafel aannemen.

Misschien versta je niet meteen alles, maar je kunt vragen om verduidelijking of herhaling.

 

 

 

 

6. Je verblijft zelfstandig in het buitenland. Je kunt in een hotel of restaurant een klacht uiten.

Je kunt bijvoorbeeld klagen dat je een kamer zonder bad of douche hebt gekregen terwijl je die wel had gereserveerd.

 

 

 

 

7. Je loopt stage in een bedrijf in het buitenland en neemt daar regelmatig deel aan de werkbesprekingen van je team. Je kunt daar aan meedoen en bijvoorbeeld uitleggen waarom iets op een bepaalde manier gedaan is.

Het gaat om informeel werkoverleg, dus niet om officiële vergaderingen. Er worden praktische problemen besproken die je in het dagelijks werk tegenkomt. Je kunt in eenvoudige woorden een standpunt of mening verwoorden, een voorbeeld geven, kritiek uiten of op kritiek reageren. Je kunt op een beleefde manier zeggen dat je het ergens mee eens of niet mee eens bent.

 

 

 

 

Monologen/presentaties:

 

 

 

 

 

8. Je werkt met een paar studenten samen aan een project. Je kunt in de projectgroep in de vreemde taal mondeling verslag uitbrengen van jullie werkzaamheden.

Het gaat dus om een verslag dat je kunt voorbereiden, over werkzaamheden die je bekend zijn.

 

 

 

 

9. Je kunt in een presentatie op school of voor een groepje buitenlandse gasten in je bedrijf informatie geven over bestaande producten en vertrouwde werkprocessen beschrijven.

Natuurlijk heb je presentatie kunnen voorbereiden. Op vragen kun je reageren, maar als iemand snel spreekt, zul je waarschijnlijk om herhaling moeten vragen.

 

 

 

 

B2 Spreken/gesprekken voeren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je bent door een buitenlands bedrijf uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Je kunt daarin uitleggen wat je kwalificaties en ervaring zijn en spreken over je motivatie voor de baan.

Het gaat om een officieel sollicitatiegesprek. Je maakt misschien nog wel eens een fout en aarzelt soms nog om naar een woord te zoeken, maar je kunt woorden die je niet kent vrij makkelijk omschrijven.

 

 

 

 

2. In contacten met buitenlandse klanten kun je de dagelijkse werkzaamheden afhandelen, ook via de telefoon.

Het gaat hier dus om allerlei jou bekende taken die dagelijks terug kunnen komen, zoals bestellingen, vragen om informatie over leverings­voorwaarden en producten, maar ook om reserveringen, klachten enzovoort. In deze gesprekken kun je in discussie gaan en je meningen en argumenten duidelijk naar voren brengen. Je kunt een probleem helder uiteen zetten en daarbij oorzaken en gevolgen, voor- en nadelen of verschillende oplossingen verwoorden.

 

 

 

 

3. Je werkt in een bedrijf in het buitenland. Je kunt daar in het werkcontact met je collega’s uitvoerig spreken over een jou bekend stuk technische apparatuur.

Je kent dus de termen voor afmetingen, prestaties, technische gegevens enzovoort, en ook die voor eenvoudige processen en rekenkundige verhoudingen.

 

 

 

 

4. Je komt in verband met je werk regelmatig in contact met buitenlandse relaties. Je kunt, als je een vrije avond met hen doorbrengt, actief meedoen aan de gesprekken en als gastheer/vrouw optreden.

Je kunt dus bijvoorbeeld gasten in een restaurant uitnodigen, het menu uitleggen en gesprekken voeren over allerlei onderwerpen, ook als er meer sprekers zijn en bij veel achtergrondgeluid. Je kunt ook praten over gevoelens en over gebeurtenissen die je raken.

Ook als het een formele gelegenheid is, weet je over het algemeen de goede toon aan te slaan.

 

 

 

 

5. Je verblijft zelfstandig in het buitenland en kunt je ook in onverwachte situaties redden.

Het gaat bijvoorbeeld om gemiste aansluitingen door vertragingen of om diefstal van documenten. Je kunt daarbij een probleem uitleggen en duidelijk maken waar je recht op hebt. Zo kun je ook in gecompliceerde gevallen een klacht formuleren.

 

 

 

 

6. Je werkt in een bedrijf van buitenlandse eigenaars. Je kunt actief deelnemen aan een vergadering die rechtstreeks te maken heeft met je eigen werk, die vanwege de aanwezigheid van directieleden uit het moederland in de vreemde taal wordt gehouden.

 Je kunt een standpunt verwoorden, voor- en nadelen bespreken, een compromis­voorstel doen en oorzaken, gevolgen en denkbeeldige situaties bespreken. Je praat vlot, hoewel je ook af en toe aarzelt om een woord of een formulering te zoeken. Je maakt wel fouten, maar als je merkt dat er een misverstand ontstaat, kun je je fout herstellen.

 

 

 

 

 Monologen/presentaties:

7. Je bent gevraagd om op een beurs een presentatie in de vreemde taal te geven over een product waarbij je bent betrokken. Je kunt in een uitgebreide presentatie dit product in al zijn facetten toelichten en vragen erover beantwoorden.

 Uiteraard gaat het om informatie op een terrein waarin je goed thuis bent, maar het is wel complexe informatie die je helder uiteen moet zetten. Je kunt gebruik maken van allerlei audio-visuele hulpmiddelen.

 

 

 

 

C1 Spreken/gesprekken voeren

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je bent door een buitenlands bedrijf uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Je kunt daarin zodanig functioneren dat je jezelf doeltreffend kunt ‘verkopen’.

Je kunt je vlot en spontaan uitdrukken en complexe informatie uitwisselen zonder veel te aarzelen of fouten te maken. Doordat je een ruime woordenschat hebt en goed in staat bent je spreekstijl aan te passen aan de situatie en de gesprekspartners, kun je jezelf gunstig presenteren.

 

 

 

 

2. Je komt in verband met je werk regelmatig in contact met buitenlandse relaties. Je kunt in allerlei situaties een passende conversatie met hen voeren.

Tijdens formele gelegenheden kun je over een groot aantal onderwerpen een onderhoudend gesprek voeren. Bij meer informele situaties kun je meedoen aan de conversatie, ook als het over gevoelens en emoties gaat of als er grapjes gemaakt worden of toespelingen op allerlei dingen.

 

 

 

 

3. In contacten met buitenlandse klanten, leveranciers of medewerkers kun je alle werkzaamheden afhandelen, ook via de telefoon.

Je kunt complexe informatie uitwisselen op je eigen vakgebied.

Wanneer je een buitenlands telefoontje aanneemt, kun je problemen oplossen of het beleid van het bedrijf uitleggen.

Wanneer je zelf telefonisch contact moet leggen met een buitenlands bedrijf om de producten of diensten van jouw bedrijf aan te bieden, doe je dat met flair en gemak.

 

 

 

 

4. Je werkt in een bedrijf van buitenlandse eigenaars. Je kunt daarin actief deelnemen aan een beleidsbepalende vergadering die vanwege de aanwezigheid van directieleden uit het moederland in de vreemde taal wordt gehouden.

Het gaat om een vergadering waarin belangrijke gesprekken worden gevoerd over het oplossen van problemen of het vaststellen van prioriteiten bij beslissingen over het jaarlijkse budget. Je kunt beleefdheids­conventies en conventies omtrent het woord nemen, overtuigen en toegeven, goed toepassen. Je kunt iemand die een lang en ingewikkeld betoog houdt, goed volgen. Je kunt zelf je je standpunten en argumenten op een overtuigende manier uiteenzetten.

 

 

 

 

Monologen/presentaties:

5. Je werkt samen met een aantal buitenlandse partners aan een project. Aan het einde van het project wordt je gevraagd de resultaten te verwerken in een presentatie voor alle buitenlandse partners. Sommige informatie geef je weer in de vorm van grafieken en cijfers. Daarop komen veel vragen die je met gemak afhandelt.

Alle leden binnen het project zijn deskundig maar je bent gekozen omdat mensen vinden dat jij de vreemde taal het beste beheerst. Het gaat om een gestructureerde formele presentatie over een ingewikkeld onderwerp, waarbij je de terminologie die je nodig hebt correct gebruikt.

 

 

 

 

6. Je volgt een internationale opleiding. Om te slagen moet je in de vreemde taal een presentatie van je werkstuk of scriptie geven.

Er wordt tijdens deze opleiding geen rekening gehouden met het feit dat de voertaal niet je moedertaal is.

 

 

 

 

5       Checklist Schrijven

 

 

Naam: ............................................................................................................................................

 

Groep: ............................................................................................................................................

 

Datum: ...........................................................................................................................................

 

Taal/talen: ......................................................................................................................................

A1 Schrijven

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je kunt bij het inchecken in een hotel of camping in het buitenland je persoonlijke gegevens invullen.

Het gaat om een eenvoudig formulier, waarin gegevens als naam, adres, nationaliteit, worden gevraagd.

 

 

 

 

 2. Je kunt een ansichtkaart of felicitatiekaart sturen naar een buitenlandse kennis.

Het gaat om korte vakantiegroeten of een eenvoudige gelukwens.

 

 

 

 

3. Aan het begin van een buitenlandse stage krijg je het verzoek een vragenlijst over jezelf in te vullen.

De vragen gaan over zaken als je woonomstandigheden, je gezin, je dagelijkse werkzaamheden. Je mag de vragen in korte zinnetjes beantwoorden.

 

 

 

 

4. Tijdens een gesprek met buitenlandse collega's kun je voor hen een adres en het tijdstip voor een afspraak noteren.

Kun je een korte omschrijving van het adres geven (‘tegenover de kerk’,’naast de bioscoop’)? Kun je de tijd aangeven in de vreemde taal
('s morgens, 's middags,
's avonds)?

 

 

 

 

A2 Schrijven

Situatie

Uitleg

Dat kan ik:

 

nog niet

met moeite

met gemak

Dat wil ik leren

1. Je kunt een buitenlandse kennis een persoonlijk briefje of e-mailtje sturen.

Je gebruikt informele taal over dagelijkse zaken (om ergens voor te bedanken of om te vertellen hoe het gaat, bijvoorbeeld. Het kan ook een begeleidend briefje bij een pakje zijn.).

 

 

 

 

2. Je loopt stage in een buitenlands bedrijf. Iemand vraagt of je een boodschap aan een collega wilt doorgeven. Je kunt de boodschap in telegramstijl noteren.

Dit is natuurlijk geen formele brief. Het gaat er maar om dat je collega de boodschap begrijpt.

 

 

 

 

3. Je werk in een bedrijf dat veel contacten onderhoudt met het buitenland. Je kunt daarvoor bestelformulieren en andere standaardformulieren in het buitenlands verkeer (bijvoor­beeld voor de douane) invullen.

Het gaat om standaard­formulieren op een voor jou bekend terrein.

 

 

 

 

4. Je moet tijdens een stage in het buitenland een gesprek in de vreemde taal gaan voeren met je leidinggevende. Je maakt voor jezelf vast wat aantekeningen. Kun je dat?

Je hoeft geen volledige uitwerking te maken van het gesprek zoals je dat wilt voeren. Het gaat erom dat je zelf een houvast hebt aan je aantekeningen.

 

 

 

 

5. In een e-mailtje aan een buitenlandse kennis kun je de details van een afspraak nog eens op een rijtje zetten.

Je kunt eenvoudige taal gebruiken, maar de informatie moet wel juist en duidelijk zijn.

 

 

 

 

6. Tijdens je stage in het buitenland kun je een formulier invullen waarin je verlof aanvraagt.

In een dergelijk formulier zul je in een paar zinnen duidelijk moeten kunnen maken wat de reden van je verlofaanvraag is.

 

 

 

 

B1 Schrijven