Onderzoekscompetentie 3de graad aso
Kijkwijzer om als leraar bij te houden welke deelfasen van één of meerdere competenties aan bod komen bij gegeven opdrachten
|
Competentie 1: ‘zich orïenteren op een onderzoeksprobleem door gericht informatie te verzamelen, te ordenen en te bewerken.’ |
OPDRACHT 1 |
OPDRACHT 2 |
……. |
|
1 Een onderwerp kiezen en afbakenen |
|
|
|
|
· De leerling kiest zelf uit een aanbod een onderwerp en stelt zich daarbij de volgende vragen (productgerichte vragen, procesgerichte vragen/ wat, waarom, hoe): wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, welke, waarmee, waartoe … |
|||
|
· De leerling stelt zelf een onderwerp voor en stelt zich daarbij de volgende vragen (productgerichte vragen, procesgerichte vragen/ wat, waarom, hoe): wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, welke, waarmee, waartoe …
|
|||
|
2 De onderzoeksvraag stellen
· De leerling formuleert een afgebakende onderzoeksvraag al of niet o.l.v. de leraar.
3 Een onderzoeksplan opstellen
|
|||
|
· De leerling maakt een plan voor een onderzoek (probleemverkenning, weten wat, weten hoe)
4 Een werkplan opstellen · De leerling geeft een overzicht van de verschillende activiteiten, een planning van de activiteiten, een taakverdeling bijv. bij groepswerk.
Noot: na deze stappen heeft de ll een relevante vraag, een zicht op de richting die het onderzoek uitgaat, een zicht op het soort eindconclusie dat het onderzoek zal opleveren, soms een verwachting van het resultaat (de hypothese), een geordende lijst met deelvragen, een onderzoeks- en werkplan. |
|||
|
|
|
5 Informatie zoeken
|
|
|
|
|
· De leerling zoekt informatie, kiest zelf bronnen uit een aanbod en motiveert zijn keuze of leraar helpt hierbij.
|
|
|
|
|
|
|||
|
· De leerling zoekt informatie in meerdere bronnen en selecteert daaruit.
|
|||
|
· De leerling houdt een bronvermelding bij. |
|||
|
|
|||
|
6 Informatie ordenen en bewerken
|
|||
|
|
|||
|
7 Indien nodig zal de leerling al of niet o.l.v. de leraar de
onderzoeksvraag |
|||
|
|
|
Competentie 2: ‘Een onderzoeksopdracht met een wiskundige cmponent voorbereiden, uitvoeren en evalueren’
|
|
|
|
|
1 De leerling verkent het probleem d.w.z. maakt een analyse, probeert het probleem te begrijpen, de vraag te omvatten, te omschrijven (weten wat). |
|
|
|
|
|
|||
|
|
|||
|
2 De leerling voert de opdracht uit (weten hoe en weten waarom). · Verder documenteren
· Effectief gegevens verzamelen
· Experimenten uitvoeren
· Verbanden onderzoeken
· Bevindingen verder uitwerken
· ……
3 De leerling kijkt reflecterend terug op het proces (weten over weten). |
|||
|
· Zelfevaluatie
· Peerevaluatie
· Logboek
· ….
|
|
Competentie 3: ‘de onderzoeksresultaten en conclusies rapporteren en ze confronteren met andere standpunten’
|
|
|
|
|
1 De leerling rapporteert over of presenteert zijn onderzoek. · In geschreven vorm; een presentatie van het proces en/of conclusies
· Door bespreking van de in zijn portfolio verzamelde opdrachten en resultaten
· In mondelinge vorm; een presentatie van het proces en/of conclusies |
|
|
|
|
· Posterpresentatie
· …
|
|||
|
|
|||
|
2 Bij de presentatie confronteert de leerling zijn onderzoeksresultaten en conclusies met andere standpunten. |
|||
|
|