Thans niet meer. Het is duidelijk dat de grensgebieden zijn veroverd op anderstalige landen en volkeren en dat de eenheidsdwang van het Frankrijk in de 20ste, 19de en 18de eeuwen omvangrijke culturen heeft uitgedund.
Maar de Franse regering ziet nu in dat het van een enorme rijkdom getuigt wanneer er binnen de landsgrenzen autochtone minderheidstalen en -culturen bestaan. Bretoense, Elzassische en Catalaanse taal- en cultuurorganisaties ontvangen geldelijke steun van de regering om hun taal te behouden en uit te bouwen. Dit is zeer goed nieuws want zo voelt men zich niet een vreemdeling in eigen land en zal de taal zich zelfs kunnen uitbreiden omdat in deze tijden van Europa-wijde herwaardering voor plaatselijke culturen en talen het hebben van een plaatselijke kleurrijkheid een rijkdom en bijzonderheid is.
De eigen cultuur is niet langer een hindernis maar een verdienste. De houding jegens de autochtone Vlamingen in Frankrijk is ook versoepeld. Deze zullen zich op meer terreinen thuis kunnen voelen en zo zouden ze zich verdienstelijk kunnen maken voor de natie. Maar deze versoepeling is slechts van cultureel belang voor volkeren als de Bretoenen, Elzassers en Basken. Niet voor de Vlamingen. Hoe kan dat?
Het typische Nederlands als cultuurtaal van die streek kan niets van de regering verwachten omdat deze taal niet - zoals het Bretoens en het Elzassisch - wordt geassocieerd met een plaatselijke minderheidstaal, maar met de taal van een vreemde mogendheid, t.w. België en Nederland.
Niettemin is de Franse regering er onlangs toe over gegaan in het noordelijke departement het Nederlands als taal te onderwijzen op de scholen, zoals dat ook met Duits en Engels het geval is. Doch de cultuurtaal Nederlands, de plaatselijke autochtone vorm, is helaas terugedrongen tot een aantal van vijftig- tot honderdduizend sprekers. Het zal niet lang duren of het Vlaams is effectief met de grond gelijk gemaakt.
Is het Bretoens in Bretagne verdrongen naar de kliffen en kustlijn
van dit bijzondere schiereiland, het Vlemsch is slechts nog een
curiosum tijdens carnaval of in kleine dorpen waar oudere mensen
een gezellig, koddig patois bezigen dat eigen is aan de vriendelijke
Vlaamse streek. Dit Vlemsch is in feite een restant van een veel
grotere streektaal die onmiskenbaar deel uitmaakte van de noordelijker
gesproken dialecten in westelijk België en westelijk Nederland.