|
"Een keer, ik
ben op wacht en 't is een beste weer. 't was dag, de zon scheen. Je kon
daar zijn op je gemak. Je mocht niet roken, maar ik stond daar met een
grote pijp. De Duitse zien dat niet, maar de rook wel. 't Was dom. Nu,
jong zijn.
'k Zie een van de mannen uitkijken, uit het vierkant gat van de abri.
Hij kijkt links en rechts en hij kijkt opperwaarts.
Ik zeg, die moet zijn broek afsteken. Ik had het schoon gezien. Hij had
niet gelet op mij. Hij kruipt al met een keer uit al onze kant waar de
zakjes een beetje lager waren. Hij wipt erover. We hadden daar een put
gemaakt om te kunnen onze broek afsteken, met een plaat erover.
Als ik peisde dat hij daar bezig was, zijn broek afwas, hefte ik een
steen op van voor mijn voeten, ik pakte die in mijn handen. Ik smeet dat
op die plaat.Je had die jongen moeten zien met zijn broek half af en hij
sprong daarover dat muurtje van zakjes en in een wip dat gat in de abri
in, bij zijn kameraden met 't bruin nog aan zijn gat. hij heeft daar zot
gedaan, je kunt een keer denken. Hij dacht dat het een granaat was. 'k
heb nog juist de tijd gehad om te springen in mijn abri. D'ander lachten
van ... misschien heb je in je broek ... van schrik.
't Was niet schoon van mij, ik heb dat altijd blijven beklagen. Je zijt
nog jong en je doet zulke dingen. 't was lelijk."
Oscar Ricour |
|
|
|
|
"Pour rire un peu, je taquine le
père Beauzelaire: ces jours derniers, j'ai trouvé un ruban de Croix de
guerre. Profitant du sommeil mati-nal tardif de p'pa Gusse, je lui ai
cousu le ruban sur le côté gauche de sa vareuse, ce qui fait qu'il parut
vers 10 heures la poitrine constel-lée! Il étais temps que je me sauve
tout de même! Enfin, la gaieté chasse l'ennui."
Victor Christophe |