|
"We waren van
geen kleintje vervaard: we hadden al veel doden gezien. Maar ... als we
over de Klijte waren, vonden we een echte pest. Het was al dood dat we
zagen: paarden, soldaten. Ze hadden de tijd nog niet gehad om ze te
begraven. Sommigen waren alleen met een klein hoopje aarde bedekt,
anderen met een deken of een plaat. Soms stak een hoofd nog boven de
aarde uit ... Ik heb een Duitser en een Engelsman zien liggen, beiden
met elkaars bajonet in hun lijf. Samen ge-stoken
en samen doodgevallen ...
We zijn niet tot in Kemmel ge-raakt. Het stonk
te veel. We zijn moeten terugkeren ..."
André Houwen |
|
|
|
|
"Ce boyau, accidenté, boueux,
nous fait deviner qu'il fut le théâtre de luttes récentes. ici nous
ren-controns des armes brisées, des équipements déchiquetés, des objets
les plus divers criblés d'éclats d'obus; là, un soulier renfermant
encore la chair et les os sangui-nolents m'attristent bien fort. Plus
loin le corps inerte d'un jeune soldat barre notre chemin, les pieds
disparaissent dans la boue et chacun, en passant, piétine un pue plus ce
corps qui, peu à peu, sera lui-même réduit en boue. Ces sortes de
spectacles désolent pro-fondément et font haïr plus que jamais la guerre
et ceux qui veulent de pareils carnages."
Georges Leroy |