|
"In mei '15
zijn we gevlucht naar Frankrijk. We waren van de laatsten. Wij, dat was
mijn nonkel met zijn zieke jongen van 18 jaar, mijn moeder, mijn zuster
en ik. Ik was toen 6 jaar en mijn zuster 8 jaar. Mijn vader was al
gestorven van de tyfus. Mijn nonkel had een lange fluwijn over zijn
schouders hangen en daar zat alles in wat je kon meedragen: een hemd of
twee, broeks, handdoeken, lakens en fluwijnen en een potje en een
panneke. Wat kleren, een mantel en een neusdoek tegen de koude. Ik
sleepte een zak achter mijn gat waar brood in zat, en bij mijn zuster
zat er vlees in. Als we vluchtten, hadden we twee gei-ten
die gelammerd waren. Twee jongskes hebben we geslacht en gebraden en mee
genomen in ketels.
Als mijn vader nog geleefd had, dan waren we misschien ook gevlucht met
de kortewagen of met een trekkar. Dan konden we veel meer meeslepen.
Maar ja, verder dan den Abeele (dat is aan de franse grens) kon je toch
niet geraken. Daar moesten de vluch-telingen
paard en kar en alles laten staan, dat namen ze niet mee op de trein.
Zo'n zak als de onze wel, want je moest erop zitten of je hoofd erop
leggen."
Martha Bryon |
|
|
| |
"A 6heures, ordre de partir pourGrand Pré. Le
lamentable cor-tège des évacués recommence: pauvres vieux avec une
voiture à bras, une vache ou un panier de linge. Trist, lamentable! A
midi le bruit court que les Allemans se-raient à Dormans, la Marne
fran-chie."
Victor Christophe
|