|
Wie heeft er ooit het lied gehoord, het lied van Boerke Naas? 't En ha, 't is waar, geen leeuwenhert, maar toch, 't en was niet dwaas. Boer Naas die was twee runders gaan verkoopen naar de steê en bracht, als hij naar huis toe kwam, zes honderd franken meê. Boer Naas, die maar een boer en was, nochtans was scherp van zin, hij ging en kocht een zevenschot, en stak daar kogels in. Alzoo kwam Naas, met stapels licht, en met de beurze zwaar; hij zei: 'Och 'k wilde dat ik thuis en in mijn bedde waar!" Al met nen keer, wat hort boer Naas, juist bacht hem in den tronk? Daar roert entwat, daar loert entwat: 't docht Naasken dat 't verzonk! En, eer dat 't veintjen asem kreeg, zoodanig was 't ontsteld, daar grijpen Naas twee vuisten vast, en 't light daar, neêrgeveld. 't En hoorde noch 't en zag bijkan, 't en voelde bijkan niet, 't en zij dat 't een pistole zag, en zeggen hoorde: '... Ik schiet!' 'Ik schiet, zoo gij, op staanden voet, niet al uw geld en geeft; en g'ebt, van zoo gij roert, me man, uw laatsten dag geleefd!' Boer Naas, die alle dagen vijf zes kruisgebeden bad, om lang te mogen leven, peist hoe hij in nesten zat! 'Wat zal ze zeggen,' kreesch boer Naas, 'wanneer ik t' huiswaard keer? Hij heeft het weêrom al verbuisd! die zatlap, nog nen keer!'. | 'Hoort hier, mijn vriend, believe 't u, toogt dat gij mij minzaam zijt, och, schiet ne kogel deur mijn hoed en spaart mij 't vrouwverwijt! 'k Zal zeggen, als ik thuis geraak: men heeft mijn geld geroofd, en, letter schilde 't of ik had nen kogel deur mijn hoofd!' De dief, die meer van kluiten hield als van boer Naas zijn bloed, schoot rap ne kogel deur en deur de kobbe van z'nen hoed. 'Bedankt!' zei Naas, en greep zijn slep: 'schiet nog een deur mijn kleed!' De dief legt aan en Naasken houdt zijn pitelerken gereed. 'Schiet nog een deur mijn broek,' zei Naas, 'toen peist me wijf, voorwaar, als dat ik; bij mirakel, ben ontsnapt aan 't lijfsgevaar.' De roover zegt: 'Nu zal 't zal wel gaan, waar is uw beurze, snel: 'k en heb noch tijd noch kogels meer...' 'Ik wel,' zegt Naas, 'ik wel!' Zijn zevenschot haalt Naas toen uit en spreekt: 'Is 't dat ge u niet, in een-twee-drie, van hier en pakt, gij galgendweil, ik schiet! 'Ik schiet, van als gij nader komt, uw domen kop in gruis, en, zoo gij Naas nog rooven wilt, laat uw verstand niet thuis!' En loopen dat die rover dei, de beenen van zijn lijf, zoo snel dat 't onbeschrijflijk is, hoe snel ook dat ik schrijf! Hier stoppe ik. Dichte een ander nu ne voois op Boerke Naas; 't is waar, 't en was geen leeuwenhert, maar toch, 't en was niet dwaas! bron:boek Guido Gezelle Gedichten |