Guido Gezelle à Courtai.
Guido Gezelle a été le vicaire de la paroisse Notre-Dame entre septembre 1872 et mai 1889.
Son travail ne l'a cependant pas empêché de s'intéresser aux problèmes des autres paroisses.
Pour preuve, le poème suivant qu'il a écrit alors que le clocher de Saint-Eloi était toujours sans cloches.
| Heer Pastor, zegt waarom ge altijd nog klinkend end bellend zijt, ‘t zij kleene feeste of groote fooi, met ‘t oud geluid van Sint Eloy ? ‘t Is koekuit een zang, altijd voort, dat ge op uw schoone prochie hoort ! Ik zie drie groote beuken staan, ‘k zie rechte naar de wolken gaan een scherpen torre, en hane en kruis staan hooge boven ‘s Heeren huis ; maar klokkeloos en wepel staat uw torre daar, en nooit en slaat hij ure half of heel : waarom toch blijft uw torre doof en stom ? Drie klokken, klaar en zwaar van toon, dat waar, zoo dunkt mij, nog zoo schoon, en weerd een Pastor die voor niet, voor niemand achteruit en schiet ! Wat hapert er ? Waar liegt het aan ? Kan Sint Eloy geen munte slaan, die muntenaar van ambacht was, die miek zoo menig zilv’ren tas, die miek zoo menig stoel van goud, die kochte slaven jong en oud, met ‘t geld van koning Dagobert ? Heeft hij voor Sint-Eloy geen hert ? Wat zal Sint Leo, uw Patroon, die neerstig werkt en uwe kroon, zoo wijd of waart een waschkuip maakt, gaan zeggen, als ge uw werk nu staakt ? | Heer Pastor, uwen last volendt en
op uw kerk den zegel prent, met ‘t vast en onbevreesd besluit : dat Sint-Eloy
drie klokken luid’ ! Laat Maria de grootste zijn ; daarna geef Sint
Eloy de zijn’ ; de derde , Leo, Leo, leeuw, zal luiden tot in de andere
eeuw den lof van een die Leo hiet, die ongeproefd geen moeit en liet om
Sint-Eloy, spijts alle man, te maken dat men ’t speuren kan, van verre
en naar, van wijd en zijd, wanneer men langs de bane rijdt, van Brugge,
Gent of Doornijkwaard, als ’t zonneblinkt of maneklaart, heel hooge en
blij ten hemel gaan en ‘s Pastors eere voorenstaan. Als ‘t donker is ‘t
is heel versmoord, omdat men klok noch klipel hoort van Sint-Eloy ; en,
half verblind, het volk geen Sint-Eloij en vindt. Kloek aan, Heer Pastor,
die nu zijt Caplaanrijk, sedert korten tijd, geworden ; die met drien voortaan
meugt preusch voor uwen autaar staan, zegt : Horkt, mijnheers, wij gaan
gedrien naar klokspijze in de beurzen zien, gaan gieten elk een klokke
mooi en zeggen aan Heer Sint Eloy, is ’t dat hij wilt zijn kerke goed doen
hooren, dat hij helpen moet en met zijn besten hamer slaan ; dan zal ‘t,
dan zal ‘t wel moeten gaan. Heer Pastor, ‘k wensche U, (daar meê
uit) voor feeste een prachtig driegeluid.
G.G. |
Source: Slosse-fonds,
Stedelijke Openbare
Bibliotheek Kortrijk