Poems

Handelsonderwijs Burgerschool

Here you can see and hear some poems recited in Dutch.
Because of the authenticity and the linguistic individuality of the poems,
it was not possible to translate them.

Recited on the occasion of the Gezelle project by

Bart Cafmeyer,
bc08.jpg (9089 bytes)
word painter
Annelore en Lieselot Vanspeybrouck,
vspey9.jpg (13533 bytes)
pupils from the school

Lieven Debrauwer,
ld99.jpg (5558 bytes)
cineast


De Averulle en de Blomme
De puit en de kraai
Boerke Naas
Gij badt op eenen berg
't Er viel ‘ne keer
Kerkhofblommen
Boodschap van de vogels en andere opgezette dieren
In de kamers!
Timpe, tompe, teerling

 


 

De Averulle en de Blomme

Daar zat ne keer een Averulle
en lekte met nen zom, zom zom
den dauw van op de blaren,
die klaar bedreupeld waren
lijk met nen dreupel rom, rom, rom.

Wanneer zij fraai gedronken had,
zoo vloog ze scheef en krom, rom, rom
al neuzlen en half dronken,
tot waar de kleęrkes blonken
van eene schoone blom, lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
en viel niet al te dom, dom, dom,
maar riep, zo loos van zinnen:
"Hei, Kobbe, kom mij spinnen
een kobbenet rondom, om, om.

En Kobbe, die was seffens g’reed,
en steld’heur pootjes krom, rom, rom;
zij spon heur loze netten
om heur daarin te zetten,
en zat daar stille en stom, tom, tom.

En als de Rulle kwam nabij
geflodderd, krom en slom, lom, lom,
zoo is ze in ’t net gevlogen,
en deerlijk uitgezogen,
ofschoon zij jankte: "Zom, zom, zom!"

De looze blomme loch ermeę,
die looze booze blom, lom, lom
eilaas! zoo menig jonkher
wordt uitgezogen pronker,
om eene schoone blom, dom! dom!

 


Bart Cafmeyer

 


Annelore en Lieselotte
Vanspeybrouck

 


Lieven Debrauwer

 


 

De puit en de kraai

Daar zat een kraai op de boord van de put.
En ze zei: "Puit kruip uit!"
"Ge zoudt mij pekken
* ," zei de puit;
"’k En doe," zei de kraai.
En de puit kroop uit.
"Pekke!" zei de kraaie
"Khen ’t epeisd," zei de puit.

* pakken, pikken

 


Annelore en Lieselotte
Vanspeybrouck

 


 

Boerke Naas

Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas?
Hij had, ’t is waar, geen leeuwehert,
maar toch, hij was niet dwaas.

Boer Naas die was twee runders gaan
verkopen naar de stee
en bracht, als hij naar huis toe kwam,
zes honderd franken mee.

Boer Naas, die maar een boer en was,
nochtans was scherp van zin,
hij ging en kocht een zevenschot,
en stak daar kogels in.

Alzo kwam Naas met stapkes licht,
en met de beurze zwaar;
hij zei: "Och ‘k wil dat ik thuis
en in mijn bedde waar!"

Al met ’n keer, wat hoort boer Naas,
juist bracht hem in de tronk?
Daar roert er iets, daar loert er iets:
’t docht Naaske dat verzonk!

En, eer dat ’t ventje asem kreeg,
zodanig was ’t ontsteld,
daar grijpen Naas twee vuisten vast,
en ’t ligt daar, neergeveld.

Hij hoorde noch hij zag bijkans,
hij voelde bijkans niet,
tenzij dat’t een pistole zag,
en zeggen hoorde:…"Ik schiet!"

"Ik schiet, zo gij, op staande voet,
niet al uw geld en geeft;
en g’hebt, van zo gij roert, m’n man,
uw laatste dag geleefd!

Boer Naas, die alle dagen vijf
zes kruisgebeden bad,
om lang te mogen leven, peist
hoe hij in nesten zat!

"Wat zal ze zeggen," krees boer Naas,
"wanneer ik thuiswaarts keer!
Hij heeft het weerom al verbuisd!
Die zatlap, nog ’n keer!"

"Hoor hier, mijn vriend, believe’t u,
toon dat gij minzaam zijt,
och, schiet ’n kogel door en door de hobbe van mijn hoed
en spaar mij ’t vrouwverwijt!"

"’K zal zeggen, als ik thuis geraak:
men heeft mijn geld geroofd,
en, weinig scheelde ‘t, of ik had
’n kogel door mijn hoofd!"

De dief, die meer van kluiten hield
als van boer Naas zijn bloed,
schoot rap’n kogel door en door
de kobbe van zijn hoed.

"Bedankt!" , zei Naas, en greep zin slip:
"schiet nog een door mijn kleed!
De dief legt aan en Naaske houdt
zijn pitteleerke g’reed.

"Schiet nog een door mijn broek," zei Naas,
"dan peinst mijn wijf, voorwaar,
als dat ik bij mirakel, ben
ontsnapt aan ’t lijfsgevaar".

De rover zegt: "Nu zal ’t wel gaan,
waar is uw beurze snel:
ik heb noch tijd noch kogels meer…"
"Ik wel," zegt Naas, "Ik wel!"

Zijn zevenschot haalt Naas dan uit
en spreekt: "Is’t dat ge u niet,
in een-twee-drie, van hier en pakt,
gij galgedweil, ik schiet!"

"Ik schiet, van als gij nader komt,
uw domme kop in gruis.
en, zo gij Naas nog roven wilt,
laat uw verstand niet thuis!"

En lopen dat die rover deed,
de benen van zijn lijf,
zo snel dat’t onbeschrijflijk is,
hoe snel ook dat ik schrijf!

Hier stop ik. Dichte een ander nu
’n voois op boerke Naas;
’t is waar, hij was geen leeuwehert,
maar toch, hij was niet dwaas!

 


Annelore en Lieselotte
Vanspeybrouck

 


Lieven Debrauwer

 


 

Gij badt op eenen berg

Gij badt op eenen berg alleen,
en … Jesu, ik en vind er geen
waar ‘k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden:
de wereld wilt mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn oogen sla;
en arm als ik en is er geen,
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!

 


Bart Cafmeyer

 


 

’t Er viel ‘ne keer

(Herinnering aan Beethoven’s Sepruor.)

’t Er viel ‘ne keer een bladtjen op
het water
’t Er lag ’n keer een bladtjen op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtjen op
het water
En wentel-winkelwentelen
in ’t water
Want ’t bladtjen was geworden lijk
het water
Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
het water
Zoo lijzig en zoo leutig als
het water
Zoo rap was ’t en gezwindig als
het water
Zoo rompelend en zoo rimpelend
als water
Zoo lag ’t gevallen bladtjen op
het water
En m’ ha’ gezeid het bladtjen ende
‘et water
’t En was niet ’t een een bladtje en ’t an-
der water
Maar water was het bladtje en ’t blad-
tje water
En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
Als ’t water liep het bladje liep,
als ’t water
Bleef staan het bladtje stond daar op
het water
En rees het water ’t bladtje rees,
en ’t water
En daalde niet of ’t bladtje daalde
en ’t water
En dei niet of het bladtje dei ’t
in ’t water
Zoo viel der eens een bladtjen op
het water
En blauw was ’t aan den hemel end’
in ’t water
En blauw en blank en groene blonk
het water
en ’t bladtjen loech en lachen dei
dat water
Maar ’t bladtje en wa’ geen bladtjen neen
en ’t water
En was nie’ meer als ’t bladjen ook
geen water
Mijn’ ziele was dat bladtjen : en
dat water
Het klinken van twee harpen wa’
dat water
En blinkend in de blauwte en in
dat water
Zoo lag ik in den Hemel van
dat water
Den blauwen blijden Hemel van
dat water
En ’t viel ne keer een bladtjen op
het water
En ’t lag ne keer een bladtjen op
het water.

 


Bart Cafmeyer

 


 

Kerkhofblommen

Traagzaam trekt de witte wagen
door de stille strate toen,
en 't is weenen, en 't is klagen
dat ze bin' de wijte doen!
Stap voor stap, zoo gaan de peerden,
traagzaam, treurig, stille en stom,
en zij kijken, of 't hun deerde,
dikwijls naar hun' Meester om;
naar hun' Meester, die te morgen
zijn beminde peerdenpaar,
onder 't kammen en 't bezorgen
zei de droeve nieuwemaar.
"Baai," zoo sprak hij, "Baai en Blesse,
heden moeten ... stille! fraai!
moeten wij naar de uitvaartmesse,
met den wagen, Blesse en Baai!"
En toen, na zijn hand te doppen
in 't gewijde water klaar,
zegent hij de hooge koppen
van 't onachtzaam peerdenpaar.
En hij kust en kruist ze beiden,
en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai,
moet een lijk naar 't kerkhof leiden,
Baai en Blesse, stille! fraai!
Schuimen zoudt ge en lastig zweeten,
zoo 'k u zonder wete liet
van de mare, en zoudt verheeten,
gave ik u den zegen niet!"
En hij zelve kruist en wijdt hem,
eer hij ze in den breidel vangt,
met het water, dat bezijd hem
aan de ruwe bedspond hangt.
Want hij slaapt bij zijn beminde
peerden en bezorgt ze trouw,
trouwer als voor eigen kinde
eigen Moeder zorgen zou.
Hij besproeit, en met gewijden
pallem speerst hij peerd en stal,
om de lijkvaart te bevrijden
van gevaar en ongeval.
Ha! wie weet hoe veel gevaren
die niet hebben uit te staan,
die met peerden, - God bewaar' hen! -
die met hunne meesters gaan?
Traagzaam rijdt en rolt de wagen,
treurig door de strate voort,
en 't is krijschen en 't is klagen,
dat men onder 't dekzeil hoort.
Stap voor stap zoo gaan de peerden,
ziende naar hun' meester om;
stap voor stap, als of 't hun deerde,
traagzaam, treurig, stille ... en stom!

 


Bart Cafmeyer

 


 

Boodschap van de vogels en andere opgezette dieren

Zanggebroeders uit het woud,
met uw talen duizendvoud:
Gij, die kwinkt en gij, die kwedelt,
gij, die schuifelt en die vedelt,
gij, die neuriet, gij die tiert,
gij, die piept en tiereliert,
gij, die wistelt en die teutert,
gij, die knotert en die kneutert,
gij, die wispelt en die fluit,
gij, die tjiept en tureluit,
gij, die tatert en die kwettert,
gij, die klapt en lacht en schettert,
vezelt, orgelt, zingt en speelt,
lispelt, ritselt, tjelpt en kweelt,
gij, die kwinkelt lijk de vinken,
en alom gaat slaan en klinken,
met uw bekken, licht en los,
dat het kettert in den bosch:

 


Lieven Debrauwer

 


 

In de kamers!

Wat doet men in de kamers
der Volksvertegen…kramers?
Men schuldt er en men scheldt er,
men duivelt en men helt er,
men stampt en men collert er,
men sakkert en men Freert er,
men Hijmant en tamboert er,
men Tescht men Luxemboert er,
men stuift er en men stoomt er,
men pompt en Pereboomt er,
men poetst er en men blinkt er,
men Stichelt en men stinkt er,
men blaaskaakt en men viert er,
men slaapt en men Rogiert er,
men bomt en bastiljeert er,
men Antwerpenembęteert er,
men paapt en men baggijnt er,
men ezelt en men zwijnt er,
men schuifelt en men danst er,
men waalt er en men franscht er,
en, laat Delaet op honderd,
één wind in ’t vlaamsch: het dondert!
Ons geld! ons geld! met hamers
waar breekt m’et? – In de kamers.

 


Lieven Debrauwer

 


 

Timpe, tompe, teerling

Timpe, tompe, terelink
vliegt van hier na Deerlijk,
vliegt van hier na Rompelschee,
koper kop en stalen tee;
wilt hij op zijn been niet staan;
‘k moet er met de zweep op slaan:
Timpe, tompe, terelink.


 


Lieven Debrauwer