Keerselucht
(of Sente Threse)
t Is
keerselucht vandage:
aan iedereen ik vrage,
vertelt entwaar een klucht;
van spoken of van geesten,
van menschen of van beesten;
vandage is t keerselucht.
t Zijn
dieven overal, t zijn zwarte mannen;
ik heb er twee zien staan,
aan t hoekske van het plein, te samenspannen;
k en durve aldaar niet gaan.
Wat hoore
aan de deure ik altijd buischen;
t zijn dieven; moord en brand!
Ze komen altegaar ons kotje uitkuischen;
t en doet, het is de wind, o kleen verstand!
ik ben zoo verschrikt:
mijn herte kikt!
Ik heb een
spook gezien, in witte doeken,
Met oogen rood als vier,
Dat uit het kerkhof kwam, al neerstig zoeken
Den rechten weg naar hier;
Een keten had het meê, die sleepte een ende
En ruttelde in het stof;
Het docht mij dat t mij kende.
Tut-tut het
is een boom, die waait in t hof.
k ben zoo verschrikt:
mijn herte kikt.
Zwijgt,
zwijgt, en laat mij u die moord verhalen,
Die gister is gebeurd;
Ge zoudt er inderdaad uw dood aan halen:
Ze zijn vaneen gescheurd,
En alle twee gesneên, gekapt, gekorven,
Gebeenhouwd en gebraân.
Daar is hij: k ben gestorven?
Neen, neen,
t is Natus, met zijn slaapmuts aan!
k ben zoo verschrikt:
mijn herte kikt.

