Bart Cafmeyer is een West-Vlaamse autoriteit als regisseur van en acteur in allerlei theaterproducties. Daarnaast heeft hij ook heel wat eigen teksttheaterprogramma's samengesteld. In maart 1999 gaat zijn theatervoorstelling "Van Guido en Gezelle", in een regie van Stefan Vancraeynest in première in De Spil in Roeselare. Daarnaast regisseerde hij ook de theaterwandeling "Dien avond en die rooze", een avondlijke poëziehappening over de tijd van Guido Gezelle in het Klein Seminarie naar een scenario van Raoul Boucquey.

Liesbeth Depoortere en Nele Verkinderen interviewden hem.
Dat is inderdaad zo! Een jaar of zeven geleden toen het boek voor de eerste keer uitkwam dacht ik dat daar iets mee moest gebeuren. Want als je dat boek leest, zie je Gezelle lopen in Roeselare, het Klein-Seminarie, . Ik heb toen het geluk gehad Michel Van der Plas te ontmoeten. Ze zochten toen iemand die de teksten van het boek in het West-Vlaams kon voordragen, als een soort verrassing voor Michel. Ik heb toen de toelating gekregen om dat boek te bewerken. Na er een klein jaar aan gewerkt te hebben kwam ik tot een brochure van een tachtigtal bladzijden. Ik heb dat getoond aan een aantal mensen, o.a. aan scenarist Stefan Vancraeynest. Hij zei: "Dat is een heel mooie kijk op Gezelle, maar wat je gemaakt hebt is niet speelbaar, het is meer een documentaire en de mensen moeten een theatervoorstelling hebben." We hebben er dan verder aan gewerkt, onder één voorwaarde, nl. dat hij het stuk zou mogen regisseren. Het geheel is gebaseerd op de emotionele kijk die Michel Van der Plas heeft op Gezelle.
Gezelle ken ik al lang. Van in mijn humanioratijd kreeg ik gedichten van Gezelle te horen en toen trok ik eigenlijk mijn neus op voor sommige gedichten, maar andere vond ik dan weer zo mooi, zo klankrijk, Toen ik het boek van Van der Plas gelezen, herlezen en bewerkt had dacht ik : "Kijk, daar kan het publiek iets aan hebben, terwijl ik dat 10 jaar geleden niet zou kunnen verwezenlijken hebben". Toen zou ik een mooi poëzieprogramma gebracht hebben, maar de beleving wordt groter naarmate je meer en meer in die figuur van Gezelle kruipt. Het is een dramatische figuur, een man die eigenlijk door heel zijn maatschappij gebruikt geweest is. De bisschop gebruikte Gezelle om zijn standpunten te verdedigen. Gezelle wilde zijn kunst, ten dienste van zijn godsdienst, zijn geloof stellen.
Er is zoveel te vertellen rond bv. Eugene van Oye, de hoogstaande, vriendschappelijke band tussen Gezelle en van Oye. Een platonische liefde in de zuivere vorm. Het is Plato die zegt dat we elkaar moeten vinden in de pure schoonheid, in het mooiste wat er is in het leven. Het is een prachtige figuur om rond te vertellen en hem niet in een hokje te duwen. Gezelle was niet alleen een romanticus, hij was meer dan dat: een ongelooflijk boeiende man. Het moet een verademing geweest zijn om bij hem te zitten.
Hij heeft ons eigenlijk nog zoveel te vertellen. Hij schrijft op een bepaald moment Kerkhofblommen nadat hij met zijn klas naar de begrafenis is geweest van een van zijn leerlingen. Hij houdt op de begrafenis een redevoering waar iedereen versteld van staat. En achteraf zegt hij: "Ik ga alles wat ik nu gedacht heb rond die dood, proberen neer te schrijven." Hij heeft dat in een paar weken geschreven, en gegeven aan zijn leerlingen als een soort van troost. Het zoeken van die troost zit hem niet in schouderklopjes en dergelijke, maar in het aanbieden van iets dat heel mooi is. Het zoeken naar schoonheid en dat gebruiken om je leven te stofferen: dat is zo belangrijk als je ziet wat we vandaag allemaal aan beeldcultuur en woordcultuur meemaken. Dat is misschien wel het belangrijkste wat we van Gezelle kunnen leren: het zoeken naar iets dat eenvoud heeft, dat mooi is, dat oprecht is, dat waarde heeft
Ik denk dat het dit is wat Gezelle ons wil zeggen.Zo zit mijn programma ook een beetje in elkaar. Ik kom dus op met de buste van Gezelle onder mijn arm. Je moet wel zot zijn om vandaag met Gezelle bezig te zijn of Cafmeyer heten. En dat laatste klopt (gelach).En zo begint mijn programma: ik zet hem daar op een sokkeltje en ik begin er eigenlijk mee te discussiëren, ik maak ruzie met hem en we schelden elkaar uit. We praten met elkaar. Dat was de fantasie, zowel van Stefan als van mij: stel dat Gezelle eventjes terug op de wereld kon komen en we discussiëren over zijn leven van toen. En wat heeft hij nu nog te vertellen? Eigenlijk laat ik op bepaalde momenten Gezelle meer spreken tegen het publiek, dan ik dat doe. Natuurlijk ook via een aantal van zijn gedichten. En zo komt hij dan weer tot ons, en zoeken wij weer naar die zuiverheid, die puurheid die hij had.
Eigenlijk wel. Ten eerste heb ik zelf veel banden met Roeselare, mijn vriendenkring is in Roeselare. Ik heb er nooit aan gedacht om in Kortrijk of Brugge te gaan vragen of ik daar mocht spelen. Ik ga op Pinksteren in Brugge in de tuin van het Gezellemuseum spelen, en in Kortrijk in de kapel waar hij ook nog geweest is.Maar ik vond Roeselare eigenlijk de plaats waar Gezelle begon met de zoektocht naar zijn leven. In het Klein Seminarie schreef hij als leerling op stukjes papier al woorden, gezegden die hij hoorde op straat. Dan kwam hij terug als leraar en werd hij fel gecontesteerd. Hij was een soort leraar "avant la lettre". Hij maakte zelf een tuin met zijn leerlingen, bouwde een museum met opgezette vogels, de deur van zijn kamer stond altijd open... Roeselare was de start van zijn leven en dramatisch gezien was dit de meest interessante periode. Natuurlijk is Brugge ook belangrijk, maar dat is een heel andere periode. Daar was hij de katholieke jounalist die op voet van oorlog leefde met de liberalen. Kortrijk is de periode waar hij de verzoening vond met zijn leven. Dan pas begint hij de rust, de erkenning te krijgen. Ik ben blij dat de start in Roeselare is.
Ik heb eigenlijk al een paar dingen vermeld: de pedagoog Gezelle, de man die eigenlijk de zoektocht durfde ondernemen, dingen in vraag durfde stellen zonder dat hij er tegen inging. Dat is dan de andere kant van Gezelle.
Het zoeken naar de schoonheid, naar de zuiverheid, ik denk dat de jongeren zich daar moeten kunnen in terugvinden. Maar ook het zoeken naar taal: samen met een schoolkameraad deken De Bo, uit het Groot Seminarie van Brugge had hij een West-Vlaams idioticon opgesteld, ver op zijn tijd vooruit.
Het gaat er om dat wij ook nu weer met de West-Vlaamse taal spelen en dat Gezelle ons dat toen al heeft geleerd.
In mn theatervoorstelling komt dit ook voor: ik vraag bijvoorbeeld aan mn publiek wat een "flieflodderke" is, of een "schrijverke". Gezelle is aan het zoeken om zo creatief mogelijk met de taal om te gaan, en ik denk dat het Gezellejaar ook een aanzet is om diezelfde kant op te gaan. Niet alleen stil te blijven staan bij een figuur als Gezelle, maar ook bij de taal: ons Nederlands, maar ook ons dialect: want ook dat moet zijn waarde krijgen.
Met dank aan