Luc Naert, gewezen leraar Nederlands aan het Klein Seminarie, noemt zichzelf een Gezellefanaat. Hij kwam de leerlingen van 5IF vertellen over de jaren die Guido Gezelle in Roeselare doorbracht.
Gezelles leven in Roeselare speelt
zich af van 1846 tot 1850 (als leerling aan het Klein Seminarie)
en van 1854 tot 1860 (als leraar).
Om Gezelle te begrijpen moeten we eerst zijn ouders leren kennen.
Ten tijde van Napoleon leefde zijn vader, Pieter-Jan Gezelle
7 jaar ondergedoken. Omwille van de desertie van hun zoon
stierven zijn ouders in 1813 in de gevangenis.
Later volgde Gezelles vader tuinbouw aan de avondschool in het
Klein Seminarie. Tot 1825 werkte deze praatzieke, vrolijke man er
tegelijk als hovenier, knecht en toezichter. Tijdens het Hollands
bewind moest het Klein Seminarie zijn deuren sluiten en werd
Gezelles vader werkloos. Dat Gezelle later weinig sympathie heeft
voor het Frans en het Hollands heeft met deze feiten te maken.
Tussen 1825 en 1829 vindt vader Gezelle werk als hovenier in Gent, waar hij ook zijn vrouw Monica Devrieze leert kennen, een schuchtere, mensenschuwe en teruggetrokken vrouw. Vanaf 1829 wonen beiden voortaan in Brugge.
Als de begaafde Guido Gezelle
tussen 1846 en 1850 zijn middelbare studies in het Klein
Seminarie verderzet, werkt hij er ook als portier om zijn studies
te kunnen financieren. In die functie komt hij toch nog even in
contact met de buitenwereld en leert hij de gewone volkstaal
kennen. Hij begint 'woordjes te zanten' (= verzamelen van
allerlei volkse termen op kleine papiertjes).
Wellicht door de zware combinatie studeren en werken waren zijn
studieresultaten eerder zwak, maar in het 5e jaar, het
poësisjaar was hij primus in 'langue Flamande'.
Na zijn middelbare studies vangt
hij zijn priesterstudies aan in het Groot Seminarie te Brugge.
Guido Gezelle was nog geen priester gewijd toen de bisschop hem
in maart 1854 vroeg als leraar naar het Klein Seminarie te gaan.
Hij moest er boekhouden en 'natuurlijke historie' geven aan de
leerlingen van het St Michielsinstituut, de handelsafdeling van
het Klein Seminarie. Van boekhouden had hij geen kaas gegeten,
maar natuurkunde lag hem des te meer: hij trok met zijn
leerlingen de tuin in op observatie.
In een tijd waar de afstand tussen
leerling en leerkracht zeer groot was, was de aanpak van Gezelle
radicaal anders. Hij koos voor een gemoedelijke, vertrouwelijke
aanpak, geheel in de geest van bisschop Dupanloup die zei dat een
leraar 'vader, moeder en leraar tegelijk' moest zijn. 
Dat dit soms tuchtproblemen met zich meebracht was voor een deel te wijten aan Gezelles naïveteit terzake. Toen leerlingen van hem een luchter beschadigden voelde Gezelle zich hier zelf verantwoordelijk voor en hielp hij mee om een nieuwe luchter te financieren.
In 1857 werd hij titularis van de poësisklas. Hugo Verriest was toen een van zijn leerlingen, voor wie Gezelle 3 grote dromen koesterde: hij wou dat elk van hen een priester, een dichter en een goed Vlaming zou worden. Zo gaf hij zijn leerlingen veel dichtoefeningen, waarbij de wisselwerking ook hem nieuwe inspiratie bezorgde. Ook gaf hij zijn 'Vlaamse vuur' door, dat Albrecht Rodenbach op zijn beurt van Hugo Verriest erfde. Zover strekte die Vlaamsgezindheid tussen zijn leerlingen dat,toen Eugene van Oye na de oorlog van collaboratie beschuldigd werd, Hugo Verriest (inmiddels zelf priester geworden) voor hem kwam getuigen.
Als Gezelle als een romanticus
bestempeld wordt, is dat omdat zijn gevoeligheid enerzijds en
zijn liefde voor de natuur anderzijds twee constantes zijn in
zijn leven. Bovendien kende hij ook dat gevoel van
onbehaaglijkheid dat hij had tegenover de mensenmaatschappij, en
het feit dat hij moeite had zich aan regels en wetten te houden.
Daar hadden ook zijn superieuren het moeilijk mee, die aan de
bisschop schreven over de 'désordre' die in zijn klas heerste.
In 1859 werd hem de poësisklas ontnomen en een jaar later werd
hij weggepromoveerd. Hij vertrok uit Roeselare op 4 augustus 1860
om in het Engels klooster te Brugge directeur te worden.
Alhoewel hij slechts weinig vrienden-collega's had in het Klein Seminarie, mag toch gezegd worden dat de Roeselaarse periode voor Gezelle zijn gelukkigste tijd was, en op poëtisch vlak zijn meest vruchtbare periode.