Interview met Raoul Boucquey

Handelsonderwijs Burgerschool

Raoul Boucquey is geschiedenisleraar aan het Klein Seminarie en voorzitter van het Gezellecomité van Roeselare. Hij stond in voor de samenstelling van de activiteitenkalender die Roeselare voor het Gezellejaar publiceerde.
Annelies Cloet, Christof Forrier en Joke Vantomme gingen samen met hem op zoek naar wat van Gezelle is overgebleven in het Klein Seminarie en peilden naar het aanbod uit de activiteitenkalender.

Kunt u vertellen waar u, als geschiedenisleraar, uw interesse voor Gezelle vandaan haalt?

Wij hebben hier in het Klein Seminarie al een paar tentoonstellingen gehad over de geschiedenis van de school, en dan kom je bij een aantal bekende personages terecht, zoals Gezelle, Hugo Verriest, Albrecht Rodenbach. Zo is ook mijn belangstelling ontstaan voor o.a. Gezelle.

Wat is volgens u het belang van een dichter zoals Gezelle, anno 1999?
Waar ligt volgens u zijn waarde voor vandaag?

Heel wat elementen spreken ook de mens van vandaag nog aan. Gevoelens als eenzaamheid, melancholie... wie kent dat niet?
Maar uiteraard is het de taal die Gezelle gebruikte die hem tot een taalvirtuoos maakt. Paul van Ostayen zei dat hij nooit een meer expressionistische dichter dan Gezelle gelezen had.

Een gedicht als 't Er viel 'ne keer een bladtjen stelt inhoudelijk niets voor, maar als je het hoort is het pure muziek.Gezelle heeft nooit heel zware inhoud in zijn gedichten gestopt, omdat hij als priester een delicate positie bekleedde. In bijna al zijn gedichten kijkt hij vooral naar de schoonheid van de natuur, maar dan telkens als iets dat van God komt. Dat was hij een beetje verplicht als priester.
Maar het is vooral zijn klankrijkdom die zo buitengewoon is en hem tegelijk expressionistisch en impressionistisch maakt: hij schildert met woorden, je ziet, je hoort, je voelt het bijna.

Gezelle was de eerste dichter die na een vrij donkere periode van weinig hoogstaande schrijvers wat niveau bracht in Vlaanderen. Hij verbaasde iedereen met de klankrijkdom van het Vlaams. Hij wou aantonen dat het Vlaams geen boertjestaal was, maar een taal die ook in de literatuur kon gebruikt worden. Zijn taal vond hij veel welluidender dan het Hollands, en minstens evenveel waard als het Frans.
Na alle overheersingen die wij gehad hebben was dat niet zo vanzelfsprekend.

Doet het feit dat u les geeft aan het Klein Seminarie, ooit de school waar Gezelle zijn eerste leraarsjaren doorbracht, u iets?

Ja, dat is natuurlijk graag meegenomen. Ik mag ook wel zeggen dat ik hier een groot stuk van mijn leven doorgemaakt heb. Ik heb hier zelf school gelopen, en sta nu al 30 jaar in het Klein Seminarie als leraar. Als historicus probeer je ook op te snuiven hoe het vroeger was. Ik weet dat Gezelle een paar gedichtjes gemaakt heeft als leerling, 15-16 jaar: depressieve gedichten over "de dichter in de gevangenis". Hij zegt zonder blikken of blozen: "’t Is hier niet om uit te houden, geen enkele vogel zou hier kunnen aarden. Ik snak naar de vrijheid, ‘k voel me hier opgesloten". Je vindt daarin het menselijke terug. Je ziet dat dat van alle tijden is. Dat maakt het ook boeiend.

Zijn er hier nog veel sporen terug te vinden van Guido Gezelle?

Het oudste gebouw dateert uit de 17e eeuw, maar heeft wel al een paar verbouwingen ondergaan. De hoofdingang is niet meer dezelfde als in de tijd van Gezelle. Ook de portiersloge is niet meer dezelfde. Die is uitgebrand, tijdens de Eerste Wereldoorlog. De muren stonden nog recht maar het interieur was weg. Dat is wel hersteld zoals het was: die gewelven wijzen nog op de kloostergewelven van toen.

Dit is de portiersloge waar Guido Gezelle een groot deel van zijn vrije tijd doorbracht, toen hij in het Klein Seminarie schoolliep.
Het is wel de originele loge niet meer, want dit deel van het gebouw is in de vlammen opgegaan.

De stoel dateert ook niet uit de tijd van Gezelle, maar is een moderne stoel uit het college van nu. Fotografe Joke kon niet verhinderen dat hij mee gefotografeerd werd.

Ik heb nog in het lokaal gezeten waarin ook Gezelle les gegeven heeft. De gangen met de kamers van de leraars bestaan nog, maar welke kamer Gezelle ooit heeft betrokken, weten we eigenlijk niet.
Zijn biologielessen wou hij aanschouwelijk maken, en samen met zijn broer had hij een lokaal ingericht met opgezette dieren. Lange tijd hebben we nog opgezette vogels van hem gehad. Daarbij had hij dan zijn gedicht Boodschap van de vogels en andere opgezette dieren geschreven. We hebben er een 5-tal van bewaard, maar de rest was te vervuild om bij te houden.

We hebben nog een paar dingen die waarschijnlijk uit de tijd van Gezelle zijn, bv. een soort sterrenkijker, een mooi stuk. Een leraar, die interesse had in sterrenkijken, heeft hem van de zolder naar beneden gehaald en hem voor een deel gerestaureerd en opgepoetst. We weten dat Gezelle interesse had voor sterren, het kan zijn dat Gezelle daar ooit z’n oog tegen geplaatst heeft, maar we zijn ook daar niet zeker van. Voor de rest zijn de echte sporen vrij beperkt.

Aan deze luchter heeft Gezelle nog helpen betalen. Dit kwam doordat de Engelse studenten de vorige luchter uit de kapel van de school gesaboteerd hadden.

Kunt u iets vertellen over het leven van Gezelle tijdens zijn Roeselaarse periode?

Dankzij de voorspraak van zijn vader kwam Gezelle hier studeren aan gereduceerde prijs. Volgens sommigen was hij gefrustreerd door dit 'sociaal' statuut: de meeste leerlingen waren hier inderdaad van betere komaf en waren beter gekleed.
De eerste jaren voelde hij zich niet zo goed in zijn vel. Al heel vroeg begon hij te dichten (leerlingen kregen toen vaker zo'n soort avondtaken).

Hij kiest voor het priesterschap wat niet uitzonderlijk was: het Klein Seminarie was bekend als kweekschool voor priesters. Na een kort intermezzo in Brugge komt hij weer in zijn vertrouwd milieu terecht en wordt opzichter-begeleider van de Engelse studenten hier.

Algauw botste hij met zijn oversten omwille van zijn pedagogische aanpak: hij speelde mee met zijn leerlingen op de speelplaats, ging familiair met hen om, ontving hen op zijn kamer. Gezelle was een soort vader en moeder tegelijk voor al die kinderen die vaak heimwee hadden naar huis.

Wij hebben hier voor ons de kalender met de activiteiten die hier in Roeselare tijdens het Gezellejaar plaatsvinden. Wat was uw aandeel in de samenstelling van die kalender?

Om bescheiden te zijn: heel de kalender. Als voorzitter van het Gezellecomité van Roeselare was ik zelf verantwoordelijk voor de samenstelling ervan. Alle plannen zijn met een groepje in elkaar gebokst. Het is heel wat, en het vraagt heel wat werk en veel geld. Als je een tentoonstelling wil hebben die mooi oogt, moet je heel wat geld uitgeven. Ik hoop dat de muziek op de CD goed is en in de smaak valt. Ik hoop alvast dat alles goed meevalt. Voor de fotografiewedstrijd is het net hetzelfde: je moet een mooie prijzenpot voorzien als je mensen creatief aan het werk wil krijgen.

Ook onze wandelnocturnes op het Klein Seminarie zouden een succes moeten zijn. We hebben een gedichtenparcours aangelegd langsheen enkele locaties die aan Gezelle doen terugdenken: de tuin met vijver, de sluis op de Mandel (de ‘spuie’).

We hebben geprobeerd om die activiteiten aan een zeer democratische prijs aan te bieden en gelukkig is de Stad Roeselare bereid geweest om ook een flinke duit in het zakje te doen. Er zullen heel wat mensen afzakken naar Roeselare voor dat Gezellejaar. Het is ook de bedoeling om daardoor de stad wat bekender te maken.

Er zijn tal van tentoonstellingen, wedstrijden, optredens die plaatsvinden. Als u zelf een keuze zou moeten maken, wat zijn volgens u de hoogtepunten uit dit aanbod?

Het is bijzonder moeilijk als je moet kiezen tussen je eigen kinderen. Ik verwacht veel van de kortfilm van Lieven Debrauwer: het moet een smaakmaker worden. Ik hoop ook dat de tentoonstelling goed wordt maar daar zijn nog veel vraagtekens bij omdat je moeilijk stukken van Gezelle krijgt uit andere steden. Op die nocturnes verwacht ik ook veel volk om op een gezellige manier kennis te maken met de gedichten van Gezelle en met de omgeving waar hij een hele tijd geleefd heeft. Er zit ook een stukje video in, een klein toneeltje dat opgevoerd wordt, van een ruzie in de gang tussen de superior en een andere. Het is de bedoeling om een breed publiek aan te spreken met die nocturnes.

Wat zouden wij leerlingen van het secundair onderwijs zeker moeten meemaken van al die activiteiten?

Er zijn educatieve Gezellepakketten samengesteld voor scholen. Wij hopen dat de jongeren via die lessenpakketten Gezelle beter leren kennen. De jongeren moeten opnieuw toegang kunnen krijgen tot Gezelle, ook de leraars. Wij moeten mikken op een heel geďnteresseerd publiek wat wel moeilijk is bij de jeugd. Voor wie van poëzie houdt zou ik echt aanraden om naar het teksttheater van Bart Cafmeyer te trekken in De Spil. Hij probeert Gezelle op een aangename manier te brengen en daar slaagt hij ook in. Anderen zullen misschien iets in die nocturnes vinden. Misschien zal een tentoonstelling iets minder aanspreken omdat je daar goed in geleid moet worden en meer dan de helft van de jongeren is daar niet in geďnteresseerd.

Hartelijk dank voor dit interview en we hopen samen met u dat dit Gezellejaar een succes wordt.