Brieven aan Gezelle

Handelsonderwijs Burgerschool

Michiel Debruyne is doctor in de Rechten. Hij studeerde in navolging van Guido Gezelle aan het Klein Seminarie in Roeselare. Zijn universitaire studies volbracht hij te Gent. Eerst was hij werkzaam als gemeenteontvanger in Rumbeke. Daarna werd hij stadsarchivaris te Roeselare. Als stadsarchivaris ontwikkelde hij een enorme liefde voor de geschiedenis. Vooral zijn kijk op de huidige tijd inspireert hem om op te zoeken hoe het vroeger was. Michiel Debruyne heeft veel geschreven en gepubliceerd over de Roeselaarse geschiedenis. Bijna vanzelfsprekend ontstond ook een grote liefde voor Guido Gezelle. Hij is lid van het Gezellegenootschap. Bijna vanzelfsprekend kwam het Roeselaarse stadsbestuur bij hem terecht om het Gezellejaar in Roeselare mee vorm te geven.

Wat hierna volgt is een weergave van een interview, afgenomen door Delphine Dewulf en Annelies Cloet op 13 januari 1999 in de Burgerschool, omtrent de bijdrage van dhr. Debruyne aan het Gezellejaar.

 

 

Mijnheer Debruyne, wat is uw aandeel in de Gezelleherdenking van de stad Roeselare?

 

De idee om Gezelle te herdenken naar aanleiding van zijn honderdjarig overlijden is gegroeid uit initiatieven te Brugge, Kortrijk en Roeselare en wordt gesteund door de Vlaamse regering. Met dit project willen wij Gezelle vooral bij de jongeren brengen. U moet weten dat Gezelle behoorde tot een kleine Europese cultuur, de Nederlandstalige. In bv. de Engelse, Duitse of Franse literatuurgeschiedenis wordt hij helemaal niet vermeld. Zelfs onze Waalse landgenoten weten helemaal niet wie hij is. Het wordt dringend tijd om daar verandering in te brengen, vooral als u weet dat Gezelle te Roeselare en te Brugge honderden Engelse studenten uit vooraanstaande families heeft opgeleid. Vandaar dus dat herdenkingsjaar.

In Roeselare worden vele activiteiten gepland, één van die zaken is het publiceren van een boek over het leven van Gezelle in Roeselare. Men sprak mij aan om daaraan mee te werken. Ik stemde volgaarne toe en besloot om mij toe te leggen op het bestuderen van de vele brieven die Roeselarenaren aan Gezelle schreven

Talrijke boekdelen zijn reeds verschenen met brieven van Gezelle. Hij schreef namelijk meer dan 4.000 brieven. Tot op heden, enkele uitzonderingen niet na gesproken, werden de brieven aan Gezelle echter nog niet bestudeerd. In het Gezellearchief te Brugge zijn nochtans 4.929 brieven bewaard gebleven die aan hem gericht waren.. Ik selecteerde daaruit 211 brieven die vanuit Roeselare en omstreken aan hem geschreven werden. Die 211 brieven waren van 43 mensen afkomstig, waarvan de helft Engelsen. Roeselare had namelijk in de 19de eeuw een uitgebreide kolonie Engelse studenten.

Tussen 1834 en ca. 1875 kwamen vele Engelse - ook Ierse, maar Ierland was toen een onderdeel van Engeland - katholieke studenten uit vooral vooraanstaande families hun middelbare studies aan het Klein Seminarie te Roeselare vervolmaken. Katholieke scholen waren toen in Engeland verboden, het niveau van ons onderwijs was ook veel hoger dan het Engelse. Toen Gezelle begon les te geven, was dat trouwens voornamelijk aan die Engelse leerlingen.

 

Gezelle was eigenlijk een volksjongen. Zijn vader werkte van 1821 tot 1829 als hulpje en tuinman in het Klein Seminarie te Roeselare. Na zijn huwelijk week hij uit naar Brugge. Daar werd Guido geboren op 01 mei 1830. Na zijn lagere schoolopleiding wilde Guido priester worden. Na enkele jaren in een Brugs college, week hij uit naar het Klein Seminarie te Roeselare. Zijn vader kon namelijk het collegegeld niet meer betalen en in Roeselare mocht Guido aan verminderde prijs studeren. Daar ontmoette hij die Engelse leerlingen en is zijn voorliefde voor de Angelsaksische landen ontstaan. Na zijn priesterwijding in 1854 was hij dan ook bijzonder gelukkig toen hij tot leerkracht van de Engelse kolonie in Roeselare benoemd werd. Eigenlijk had hij een tweeledige opdracht: Vlaams onderwijzen aan de jongeren die voor priester willen leren (dat Vlaams hadden priesters nodig om de taal van het volk te kennen) en de Engelse studenten begeleiden.

Voor die Engelse studenten was Gezelle een grote mijnheer, hun spirituele leider. Hij ging met hen op stap in Roeselare, dronk pinten met hen, wat hem niet altijd in dank afgenomen werd. Hij maakte vele vrienden onder die Engelse leerlingen en hun familie die hem vele brieven schreven.

In 1860 werd hij uit Roeselare verdreven en naar Brugge geroepen. Daar stichtte de bisschop in datzelfde jaar een Engels seminarie, waar jongeren tot o.a. missionaris voor Engeland, Ijsland en de Verenigde Staten werden opgeleid. Gezelle was toen al vooruitziend, want hij wist als je vooral Engeland en de VS tot het katholicisme kon bekeren, dan bekeerde je de wereld. Gezelle gaf er les in het Engels. Hij beschikte trouwens over een geweldige talenknobbel. Hij sprak vloeiend Frans, Engels, Vlaams, Duits, Deens, Noors en Iers. Daarnaast had hij nog noties van Ijslands, Arabisch, Swahili, Transvaals, Fries, Hindu, Chaldeeuws, Russisch, Hebreeuws en nog enkele andere talen. Na het verdwijnen van Gezelle als leerkracht te Roeselare en na die stichting van het Engels seminarie in Brugge, verdwijnen ook de Engelse studenten langzaam in Roeselare.

Ik ben ervan overtuigd dat de vruchtbaarste periode van Gezelle precies die Roeselaarse jaren zijn geweest. Vandaar dat de briefwisseling uit die periode mij bijzonder interesseert. Ondanks het feit dat hij vanaf 1860 geen les meer in Roeselare gaf, bleven zijn vroegere leerlingen brieven naar hem schrijven. Iedere keer dat hij Roeselare bezocht, was hij dan ook meer dan welkom bij zijn oud-studenten. Vooral de families De Geest, Degryse, De Brouckere, Horrie, De Ruytere, Dejonckheere en Dekeere bleken goede bekenden van hem te zijn.

 

Waarover gingen die brieven die aan hem gericht waren?

 

Je kunt de brieven indelen in diverse thema's. Leerlingen schreven hem met vragen over levensproblemen. Zij beschouwden hem niet alleen als hun leermeester, maar ook als hun vader. In plaats van aan hun ouders richtten zij hun persoonlijke vragen tot hem. "Mijn meester, mijn lieve meester in Christo, mijn moeder heeft niet graag dat ik ga studeren voor priester, zij zou liever hebben dat ik leer voor notaris. Ga je me helpen?" "Meester, ik heb een probleem. Ik zie daar een meisje graag in Roeselare. Wat moet ik doen?" "Ik zou zo graag naar Engeland gaan en missionaris worden. Ik zou me daar meer thuis voelen. Hier kijken we met een bril, daar werken wij met ons hart." Uit die brieven blijkt de betrokkenheid, de liefde die Gezelle voor zijn leerlingen voelde. Hij schreef vaak, Ik schrijf als vader. Hij sprak met zijn studenten, hij leefde mee, hij engageerde zich om hen ook na hun studies met raad en daad bij te staan. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen.

Een tweede thema dat wij in vele brieven weervinden, is het taalkundige. Studenten legden hem oude gezegden voor in de hoop dat hij kon vertellen wat ze betekenden. "Ons moeder heeft me iets verteld. Zij kan nergens meer voor dienen. Wat betekent dat dienen." "Mijn broer is ne ambachtsman en hij moet vaak het werk van ne ander indoen." "Een oude jonge dochter zei, k'en ga zo niet voortkroezelen. Wat is dat voortkroezelen".

Vaak stuurden ze hem ook gedichten op. Uit de leerlingen van Gezelle is een hele schare letterkundigen voortgesproten: Hugo en Gustaaf Verriest, K. De Gheldere, maar vooral Eugène Van Oye. Hij was de lieveling van Gezelle. Ondanks aandringen van Gezelle werd Van Oye geen priester, maar dokter. Toch ontstond er tussen beide een bijzonder innige band.

Een belangrijk deel van de aan Gezelle gerichte brieven illustreren de Vlaamsgezindheid van zijn leerlingen. Een prachtig voorbeeld daarvan is de ode van Diksmuidenaar Leopold Beun. Ik vond trouwens 16 brieven, uit Roeselare verstuurd, die het Flamingantisme van Gezelle bewijzen. Laten we niet vergeten dat Gezelle aan de bakermat van het Vlaamse bewustzijn stond. Hij is het die in Roeselare de Vlaamse studentenbeweging in gang stak. Gezelle zei: "Wees Vlaming die God Vlaming schiep. Wees Vlaming nu, were die." Zijn leerling, Hugo Verriest, ging een stap verder: "Wij willen dat DIT volk herleeft, geen ander volk." Albrecht Rodenbach, een leerling van Verriest, zei: "Wij willen dat de staat, in zoverre hij met ons in betrekking is, Vlaams is in taal en recht."

Gezelle zei van zichzelf dat hij geen vechter was, hij wou met niemand ruzie maken. Hij was te lyrisch, teveel poëet om keet te schoppen. Rodenbach en zijn tijdgenoten waren de ruitenbrekers. Toen Gezelle hun onstuimigheid bekritiseerde, wees Hugo Verriest hem terecht. Meester Gezelle, u staat aan de basis van die jonge onstuimige generatie. U bent mijn leermeester, u wekte bij mij de liefde voor ons Vlaamse volk. Ik gaf dit door aan een volgende generatie, de generatie van Rodenbach. Zij voeren enkel uit wat u bij ons teweegbracht. U zijt hun voorbeeld.

Je moet weten dat de Vlaamse beweging veel heeft betekend op sociaal vlak. Zij zorgde ervoor dat het Vlaamse volk de eerste sociale voorzieningen ontving. Niet het liberalisme of het katholicisme, dat nochtans naastenliefde predikt, was daar de voorloper. Ook op dat vlak liet de Vlaamse beweging zich door Gezelle inspireren. Gezelle gaf namelijk alles weg. Hij bezat geen cent. Vooral in zijn Kortrijkse periode zat hij in de miserie. Hij vroeg ook niets. De familie Verriest sprong hem daar ongevraagd financieel bij. Vooral dokter Gustaaf Verriest hielp hem.

 

 

Was het moeilijk om de brieven, gericht aan Gezelle, te verzamelen?

 

Wel eigenlijk niet. In het Gezellearchief bewaart men 4.923 brieven aan Gezelle gericht. Vooral de 1.372 brieven uit de periode 1849 tot 1872 interesseerden mij. Dit was zijn meest vruchtbare periode. In Brugge en ook in Kortrijk was Gezelle meer een politicus. De toon in zijn brieven verandert, zijn Roeselaarse brieven zijn de beste. Uit die stapel brieven selecteerde ik die, die vanuit Roeselare naar hem gestuurd werden. Ik vond er 211. Meer dan 600 dia's nam ik van de handgeschreven documenten en ik typte ze alle uit.

Het is moeilijker om brieven te vinden van Gezelle, gericht aan Roeselarenaren. Uit die brieven die ik analyseerde weet ik nochtans dat hij met enkele Roeselaarse en Engelse families druk correspondeerde. Vooral de families Demeester, Callebert, Vanhee, Declerck ontvingen brieven van Gezelle. Waarschijnlijk bevinden er zich te Roeselare nog steeds brieven van Gezelle in privéhanden. De meesten bewaren deze brieven als relikwieën. Zij hangen ingekaderd aan de muur of worden in mappen bewaard en komen slechts hoogst uitzonderlijk tevoorschijn. Hierbij doe ik dan ook een warme oproep om contact met mij op te nemen indien u brieven van Gezelle bezit.

Wat mij echter vooral interesseert zijn de brieven van de Engelse studenten die in Roeselare studeerden. Een ruime helft van de 211 Roeselaarse brieven zijn geschreven door Engelsen. Waarschijnlijk ontvingen zij bijna allemaal een antwoord van Gezelle. Graag zou ik die brieven inkijken. Ik vermeld dan ook graag de namen van de Engelsen die brieven aan Gezelle schreven: Joseph Algar, John Browne, Michael Buckleigh, Christophers, William Clifford, William Coppinger, William Crombleholme, Charles Edmonstone, John en Thomas Edwards, George Fitzgerald, Ignace Fortheringham, Arnie, George William en Thomas Gadd, Thomas Grant, Henry Harford, Edmond en John Hicks, Charles, Arnie en Richard Hill, Charles Hines, Augustin MacDonogh, James Nugent, Henri O'Hara, Joseph Oxburry, Thomas Parnell, Thomas Quinn, Arthur en Cuthbert Robinson, Frederick Rodgers, Richard William Roskell, John Sutton, Henry Yares. Misschien zitten in hun familiearchieven Gezelles antwoorden. Mocht dat zo zijn dan had ik graag dat ze met mij contact opnamen op mijn adres: Michiel Debruyne Zeger Maelfaitstraat 31 8800 Rumbeke.

 

 

Wie in Roeselare of Engeland brieven van Gezelle in zijn bezit heeft, kan ook contact opnemen via e-mail met filip.santens@burgerschool.be