In mei 1858, deed zich een gebeurtenis
voor waardoor de band tussen leraar en leerlingen enorm versterkt
werd.
Na een slepende ziekte stierf Eduard van den Bussche op 18-jarige
leeftijd. Hij zat in de poësisklas,waaraan Guido Gezelle sinds
kort les gaf. Het overlijden maakte diepe indruk op de klas. Om
waardig afscheid van hun klasvriend te kunnen nemen, besloten ze
om met de gehele klas te voet naar Staden te trekken. Samen
droegen ze hun klasvriend naar de kerk om met familie en vrienden
afscheid te nemen van Eduard. Op het kerkhof gaf Gezelle een
ontroerende redevoering. Nauwelijks terug in Roeselare begon
Gezelle koortsachtig te schrijven. Na twee dagen en nachten is
het manuscript klaar. Kerkhofblommen
was het resultaat, een dankbare getuigenis die wellicht meer
suggereert aan echte samenwerking dan er heeft plaatsgehad.
Kerkhofblommen was het eerste echte gedicht van Gezelle.
| Na de dood van Eduard van den Bussche
schreef Guido Gezelle het alombekende gedicht
"Kerkhofblommen". In Staden werd naar aanleiding van deze droevige gebeurtenis, de straat waarin Eduard woonde, genoemd naar het gedicht. Op de hoeve waar Eduard zijn jeugd heeft doorgebracht hangt nog steeds de bovenstaande gedenkplaat. Van hieruit werd op 5 mei 1858 |
![]() |
We citeren:
Traagzaam trekt de witte wagen
door de stille strate toen,
en 't is weenen, en 't is klagen
dat ze bin' de wijte doen!
Stap voor stap, zoo gaan de peerden,
traagzaam, treurig, stille en stom,
en zij kijken, of 't hun deerde,
dikwijls naar hun' Meester om;
naar hun' Meester, die te morgen
zijn beminde peerdenpaar,
onder 't kammen en 't bezorgen
zei de droeve nieuwemaar.
"Baai," zoo sprak hij, "Baai en Blesse,
heden moeten ... stille! fraai!
moeten wij naar de uitvaartmesse,
met den wagen, Blesse en Baai!"
En toen, na zijn hand te doppen
in 't gewijde water klaar,
zegent hij de hooge koppen
van 't onachtzaam peerdenpaar.
En hij kust en kruist ze beiden,
en "gij," zegt hij, "Blesse en Baai,
moet een lijk naar 't kerkhof leiden,
Baai en Blesse, stille! fraai!
Schuimen zoudt ge en lastig zweeten,
zoo 'k u zonder wete liet
van de mare, en zoudt verheeten,
gave ik u den zegen niet!"
En hij zelve kruist en wijdt hem,
eer hij ze in den breidel vangt,
met het water, dat bezijd hem
aan de ruwe bedspond hangt.
Want hij slaapt bij zijn beminde
peerden en bezorgt ze trouw,
trouwer als voor eigen kinde
eigen Moeder zorgen zou.
Hij besproeit, en met gewijden
pallem speerst hij peerd en stal,
om de lijkvaart te bevrijden
van gevaar en ongeval.
Ha! wie weet hoe veel gevaren
die niet hebben uit te staan,
die met peerden, - God bewaar' hen! -
die met hunne meesters gaan?
Traagzaam rijdt en rolt de wagen,
treurig door de strate voort,
en 't is krijschen en 't is klagen,
dat men onder 't dekzeil hoort.
Stap voor stap zoo gaan de peerden,
ziende naar hun' meester om;
stap voor stap, als of 't hun deerde,
traagzaam, treurig, stille ... en stom!