'k wou zo graag, dat ik wat troot kon geven
aan mensen in hun troosteloos bestaan.
Ik wou, dat ik een beschermend kleed kon weven
voor hen, die onbeschermd door 't leven gaan.
Ik wou dat ik wat vreugde kon verspreiden,
wat licht voor ieder, die in 't donker gaat.
Ik wou dat 'k dwalenden terug kon leiden
tot waar het kruishout op de heuvel staat.
Ik wou, dat ik wat beters had dan woorden,
wat méér dan slechts een hulpeloos gebaar;
ik wou dat alle mensen, die mij hoorden
het konden merken: Christus leeft in hem, in haar;
Ik wou, dat ik de fouten, die ik maakte,
waardoor ik anderen heb zeer gedaan,
of het geluk, waarnaar mijn naaste haakte
vernietigd heb, of in de weg gestaan
bedekken kon door vurige gebeden,
en dat ik alle tijd die ik heb verknoeid
terugkreeg om die beter te besteden,
zoals een bloem soms op een puinhoop groeit
- maar elke dag moet ik weer belijden:
Ik deed het weer niet goed -
'k schoot wéér te kort.
Tocht geef ik het niet op. 'k zal blijven strijden
totdat het onvolkomene volkomen worde.

Nel Benschop,
Niet dat ik het begrepen heb
Een boom in de wind, Kampen 1970