1.2 Eerste generatie computers
1.3 Tweede generatie computers
1.5 Vierde generatie computers
De geschiedenis van onze computer loop terug tot ver vóór
onze tijdrekening.
De
eerste computers (to compute) is het Engels voor rekenen) zo zou je
kunnen stellen, waren de telramen in het Midden-Oosten en China van 3000 BC.
In de 17e
eeuw maakte PASCAL BLAISE de eerste telmachine, de PASCALINE.
Deze was echter niet zeer betrouwbaar. LEIBNIZ
verbeterde deze tot een machine die niet alleen kon optellen, maar ook
vermenigvuldigen, delen en worteltrekken.
Rond 1800 gebruikte JACQUARD ponskaarten (cf.
afbeelding) om zijn weefgetouwen te automatiseren.

Foto van een gele ponskaart die vroeger gebruikt werd als inputmedium voor een computer.
Deze
ponskaarten werden later door BABBAGE toegepast voor het invoeren van
programmagegevens. Dit was dan ook
een eerste vorm van een gegevensdrager.
IBM
paste het gebruik van ponskaarten nog lange tijd toe als medium
voor gegevensopslag.
In
het begin van de 18e
eeuw ontwierp CHARLES BABBAGE een computer: de Analytical
Engine. Het apparaat was opgebouwd
uit 3 hoofdbestanddelen: opslaan (store), besturen (control) en tellen (mill). De
werking van zijn machine lijkt hierdoor onlosmakelijk verbonden met die van de
huidige computers. Immers, de
tegenwoordige computer plaatst data in het geheugen, voert middels de processor
rekenkundige functies uit, en plaatst het resultaat terug in het geheugen.
Helaas is zijn machine nooit helemaal voltooid geweest.
Zeker niet
te verwaarlozen op het gebied van de logica is de invloed van GEORGE BOOLE die bekend staat voor de naar hem genoemde Booleaanse algebra.
Het gehele
binaire telsysteem dat de computer gebruikt is gebaseerd op de algebra die BOOLE
heeft gedefinieerd.
Op het
einde van de 19e eeuw vond de Amerikaan HERMAN HOLLERITH een
telmachine uit die gebruikt werd bij volkstellingen en bij warenhuizen.
Hij richtte een bedrijf op dat na enkele fusies en overnames uiteindelijk aan
de basis lag van IBM. Zo ontstond
in 1924 IBM, ofwel International Business Machines Corporation.
De eerste digitale computer werd vlak vóór de tweede
wereldoorlog gebouwd. In 1939
werkte IBM samen met JOHN ATANASOFF van de Harvard University aan
een prototype van een elektro-magnetische rekenmachine, die later (in 1947)
bekend werd als de HARVARD MARK 1. Deze machine was enorm: maar liefst 15 meter lang en 2,5
meter hoog, en ongeveer even breed. Dit
apparaat kon 72 woorden opslaan en 3 optellingen per seconde maken. De berekeningen werden
uitgevoerd door middel van elektrische relais, een soort schakelaars. Aangezien
dit mechanische en dus geen elektronische componenten waren spreekt men hier niet
van een echte computer.
De eerste échte computer daarentegen was de ENIAC
(Electronic Numerical Integrator and Calculator) die in 1946 werd voltooid (zie
afbeelding).Hij was het toenmalig snelheidsmonster van zijn tijd. De ENIAC was
nog steeds een kolossaal monster dat een hele kamer innam, maar hij was toch
meer dan duizend maal zo snel als zijn elektronische voorgangers.
De ENIAC bevatte 18 000 radiolampen en woog 30 ton.

foto van de ENIAC, U.S. Army photo, public domain (source:http://ftp.arl.army.mil/~mike/comphist/)
De
vacuüm elektronenbuizen, met de flipflop als de bekendste variant werden
gebruikt als werkgeheugen in de eerste generatie- computers.
De taak van de flipflop was eenvoudig: aan – of uitstaan, geheel
volgens het principe van het binaire telsysteem (vergelijk ook met de ponskaart:
een gaatje is een 1 en geen gaatje is een O).
Zo kunnen vele flipflops een werkgeheugen vormen, waarbij iedere buis een
bit vertegenwoordigt.

foto van de eerste 4 moederborden, Army photo, public domain (source:http://ftp.arl.army.mil/~mike/comphist/)
VON NEUMANN,
bekend omwille van zijn onderzoek naar kernwapens tijdens de tweede wereldoorlog,
heeft ook zijn bijdrage geleverd aan de computergeschiedenis.
Tegenwoordig werken alle computers volgens het principe dat door hem
werd gedefinieerd. Het opslaan
van de programma-instructies en de te verwerken gegevens in een geheugen bleek
de doorbraak naar een snellere en gemakkelijker te programmeren computer.

foto van de VON NEUMANN, public domain, (source:http://ei.cs.vt.edu/~history/VonNeumann.html)
De
Tweede Wereld Oorlog gaf trouwens een sterke impuls aan de ontwikkeling van
computers. Deze werden gebruikt
voor het helpen ontcijferen van de geheime code die de Duitsers gebruikten, maar
ook om de banen te bereken van ballistische raketten.
De volgende enorme ontwikkeling in de computergeschiedenis
is de komst van de door BELL TELEPHONE LABORATORIES (o.a. bekend omwille van
de uitvinding van de telefoon) ontwikkelde transistors in 1947.
Deze transistors gingen geleidelijk aan de radiolampen vervangen in de
computers. We spreken dan over de tweede generatie computers.

foto van een transistor
Een
transistor heeft 2 functies. De eerste is die van schakelaar.
De transistor heeft namelijk slechts 2 ‘standen’, aan of uit.
Zo kunnen (programma)gegevens worden opgeslaan en bewerkt door een
aantal transistors aan of uit te zetten (cfr. ponskaarten).
De
tweede functie is die van versterker.
Op het moment dat een aantal transistors wordt samengevoegd ontstaat een
circuit dat een ingevoerde hoeveelheid elektrische stroom kan versterken.
De transistor (zie afbeelding) heeft vele voordelen.
Een transistor is veel kleiner, produceert minder warmte, heeft een
langere levensduur en is minder kwetsbaar dan radiolampen.
Dit maakte dat de transistor uiterst geschikt is voor gebruik in
allerlei elektronische apparaten, dus ook in computers.
Computers
werden nu veel kleiner, sneller, en goedkoper om te produceren.
In 1951 komt de eerste Amerikaanse computer die puur voor commerciële doeleinden geproduceerd zou worden: de UNIVAC.
De derde
generatie computers uit de jaren 60 wordt gekenmerkt door het steeds kleiner
worden van onderdelen, terwijl tegelijkertijd een ontwikkeling in de opslagmedia
gaande is.
Door
het gebruik van schijven in plaats van de voorheen toegepaste
magneetbanden werd de opslagcapaciteit vergroot.
De in de
tweede generatie ontwikkelde transistors worden
ondergebracht in geïntegreerde circuits.
Zo komt Texas Instruments als eerste op de proppen met de eerste IC’s
(Integrated Circuits), ook wel chips genoemd.
Op zo een chip kan men een hele schakeling onderbrengen op een stukje silicium.
Zo een
schakeling kan bestaan uit honderden transistors, weerstanden en andere kleine
onderdelen. Maar, net zoals bij de
transistor duurt het weer een aantal jaren voor men de chiptechnologie gaat
gebruiken in computers.

Deze derde
generatie computers, zijn weerom sneller, kleiner, betrouwbaarder en goedkoper
dan hun voorgangers. Door de
vooruitgang van de miniaturisering wordt het mogelijk om steeds meer onderdelen
op één chip onder te brengen.
Een goed
voorbeeld van de derde generatie computers is het systeem 360 van IBM (zie
afbeelding).
foto van IBM 360, U.S. Army photo, public domain (source:http://ftp.arl.army.mil/~mike/comphist/)
Een nieuwe doorbraak kwam er met de komst van de microprocessor,
waarbij de hele processor op één chip was ondergebracht.
INTEL bracht in 1971 haar éérste microprocessor op de markt: de
4004, een 4 bit microprocessor. 
foto van de Altair pc
Het
daaropvolgend jaar komt de eerste microcomputer, zo genoemd omdat hij een
microprocessor bevat. Twee jaar later wordt de 8008 ontwikkeld en in 1975 de
INTEL 8080. Deze processor zou het
hart gaan vormen van wat velen zien als de eerste personal computer: de ALTAIR (zie
afbeelding).
BILL GATES en PAUL ALLEN, die in 1975 MICROSOFT oprichtten, kopen de eerste programmeertaal BASIC af van iemand anders en herwerken die taal voor de ALTAIR computer. De ALTAIR gaf ook inspiratie voor de APPLE. Daarmee was de ALTAIR de voorloper van een reeks “gewone” computers, die men home computers noemde voor hobbyisten.
foto van Bill Gates [bron: website Microsoft]
In 1976
richten STEVE JOBS en STEVE WOZNIAK de APPLE COMPUTER COMPANY op, en in datzelfde
jaar kwam de APPLE 1 op de markt (zie afbeelding van een APPLE computer) voor slechts 666 US
dollar. COMMODORE en RADIO SHACK (beter bekend als TANDY) brachten het jaar
daarop ook home computers op de markt.
De grote bedrijven snapten
niet wat al die hobbyisten in hobby
computers zagen.
.
foto van een Apple MacIntosh [bron: website Apple]

foto van de COMMODORE 64 (éérste pc van de auteur).

foto van de cassette speler van COMMODORE
(fungeerde als diskette-station, maar wan wel met gewone audio cassettes).
In 1978 komt INTEL met de fameuze 8088-microprocessor . Deze chip vond zijn
plaats in IBM’s eerste personal computer, en maakte Intel daardoor tot ’s
werelds grootste chipfabrikant.
foto van een IBM pc [bron: website IBM]
In 1980 bracht INTEL de 80286 uit en deze chip werd gaandeweg
wereldwijd in miljoenen PC’s gebruikt.
IBM
ontwikkelde in 1981 zijn eerste personal computer onder impuls van het succes dat APPLE boekte met zijn PC’s. De processor kwam
van INTEL (de 8088, en later de 80286) en het besturingssysteem (PC-DOS) kwam
van MICROSOFT. Deze PC kwam op de
markt met als naam XT (Extended Technology).
Er beginnen
van dan af ook populaire computerprogramma’s op de markt te komen zoals tekstverwerkers
en spreadsheets (zoals LOTUS 123). Daardoor werd de home computer ook interessant voor zakenmensen.
De IBM PC werd een enorm succes en werd daardoor al gauw als de standaard
aanzien. Door dit succes volgen
ook andere bedrijven zoals COMPAQ met een computer die volledig compatibel is
met de IBM PC, de eerste kloon dus. De
klonen konden geen gebruik maken van PC-DOS en daarom ontwikkelde MICROSOFT
het besturingssysteem MS-DOS.
Door
de concurrentie daalden de prijzen van de PC’s drastisch.
Maar de ontwikkeling van nieuwe hardware ging hand in hand met de ontwikkeling
van nieuwe software. Deze nieuwe software stelde steeds zwaardere eisen aan de
hardware, die daardoor snel verbeterde, en zo ging die evolutie maar door.
In 1985 verschijnt de AT (Advanced Technology) van IBM.
Deze opvolger van de XT was uitgerust met een
INTEL 80386. Het jaar daarop
komt Apple met een nieuw revolutionair concept: de MacIntosh computer.
Voor het eerst werden de 3,5 inch floppy’s gebruikt i.p.v. de grote 5
inch floppy’s. Vernieuwend was
ook dat deze PC op een grafisch besturingssysteem draaide en aangestuurd werd
door een muis. Pas jaren later
kwam er een programma voor de PC dat dit gebruiksgemak probeerde te benaderen
,Windows van Microsoft, maar het duurde tot 1993 tot er een goed werkende versie
kwam.
In 1987 bracht
IBM de PS/2 (Professional System 2) op de markt met een besturingssysteem van
IBM zelf ,OS/2 (Operating System 2). Alhoewel
de PS/2 toen beter was dan de gewone PC’s sloeg hij niet aan.
Weer zwaardere
computers komen er in 1989 met de komst van de 80486 processoren.
Er kwamen ook veel goedkope klonen van deze processor op de markt (o.a.
IBM, Cyrix en AMD).

foto van een Intel Pentium chip [bron: website Intel]
In 1995 komt Microsoft met een nieuwe versie van Windows, het
lang verwachte Windows 95. Tegenover
de vorige versie van Windows is deze versie revolutionair, maar eigenlijk is het
gewoon een inhaalmanoeuvre om het gebruiksgemak van de Apple’s te evenaren.
foto van CD met Windows 95
Vanaf 1996
krijgen we het nieuwe AGP slot om snellere grafische kaarten te kunnen gebruiken
(zie verder). Nog een nieuwe
ontwikkeling is USB (Universal Serial Bus).
Via deze aansluiting kunnen tientallen verschillende apparaten
aangesloten worden, met het voordeel dat alles plug & play is (PnP).
Begin
1998 komt dan de Pentium II die een combinatie is van de Pentium Pro en de
Pentium MMX, en kloksnelheden haalt van maar liefst 450 MHz. Dat jaar komt AMD, de grote concurrent van INTEL met de K6
3D-Now!, die zeer populair wordt voor wie veel met spelletjes speelt.

foto van een Apple computer (model Yosemite) [bron: website Apple]
Intussen
heeft APPLE niet stilgezeten en brengt de iMac uit, die volgens een geheel nieuw
concept werkt, en een heel eigen design heeft. De iMac werd een succes, en zo kon APPLE van de ondergang
gered worden. Er zijn reeds meerdere modellen in deze reeks verschenen, zoals de
Yosemite op de afbeelding.
Momenteel
is de PENTIUM 4 de meest courante chip, meer hierover in het hoofdstuk over de
processoren.
· eerste generatie computers: vacuüm buizen
·
tweede generatie
computes: transistors
·
derde generatie
computers: geïntegreerd circuit
·
vierde generatie
computers: super- en mini-computers (of PC’s)
In het onderstaand
schema vind je een overzicht van de evolutie van een aantal componenten. Dit
schema is een vereenvoudigde weergave van de realiteit en mag dus niet strikt
geïnterpreteerd worden. Probeer ook de verbanden tussen de verschillende evoluties
te herkennen.
|
|
begin 90 |
midden 90 |
einde 90 |
2000 |
2001 |
|
|
Chip |
80286, 80386, |
80486 |
80586= P1, P2 |
PIII |
PIV |
|
|
klokfreq |
|
75MHz, 300MHz
|
400MHz |
500MHz |
1 Ghz |
|
|
RAM |
4MB |
8MB |
16- 32 MB |
64-128 MB |
256
MB |
500MB |
|
type RAM |
|
|
|
|||
|
Harde schijf |
30 MB |
100 MB |
500 MB- 1 GB |
10GB |
40 GB |
|
|
opslag |
floppy |
floppy 3 inch |
CD-RW |
CD-RW |
DVD-R |
|
|
besturings-software |
DOS, Win 3.11 |
|
|
|
||
|
toepassings-software |
|
Office 95 |
Office 97 |
office 2000 |
|
|